Wereld Niet Roken Dag

Gisteren was het Wereld Niet Roken Dag. Dat woordje ‘niet’ heeft toch iets onhandigs, alsof iedereen heel ostentatief géén sigaret aan het opsteken is (en er ook een Niet Je Gezicht Vol Laten Tatoeëren Dag zou moeten bestaan). Aan de andere kant kun je het ook moeilijk vol enthousiasme de Wereld Roken Dag noemen. Goede doelen hebben ook altijd last van dit probleem: „Heeft u misschien wat over voor kinderkanker?” – dat klinkt raar, als je erover nadenkt. In ieder geval leek de Wereld Niet Roken Dag me een goed moment om mijn eigen rookgeschiedenis eens onder de loep te nemen.

In het leven zijn er Rokers en Niet-Rokers. Nu zou je denken dat dit onderscheid iets te maken heeft met het feit of iemand rookt, maar niets is minder waar. Het roken zelf is slechts een luttele bijzaak: het Roker- of Niet-Rokerschap zit verankerd in je diepste kern.

Er zijn Rokers die door omstandigheden stoppen met roken en zich moeten schikken in een bestaan als Niet-Roker. Maar dat verandert niets aan hun Roker-zijn, aan het feit dat ze eeuwig het stukje brandende tabak tussen hun vingers zullen missen. Zelf was ik een tijdlang de andere variant: een Niet-Roker die zich gedroeg als een Roker.

Ik begon met fulltime roken ergens op mijn achttiende. Daarvoor kocht ik al een jaar pakjes Camel waar maar tien sigaretten in zaten, enkel bestemd voor het weekend, maar rond die tijd nam ik het besluit om naar grote pakjes over te stappen. Toch waren er veel signalen dat ik eigenlijk geen rokershart bezat. Ik had bijvoorbeeld nooit voorkeur voor een merk, een eigen merk waarvan ik de smaak overal uit herkende: ik rookte wat mijn vriendje rookte. Eerst Malboro Rood, daarna Lucky Strike – ik rookte zelfs kreteksigaretten, terwijl die smaakten naar een handvol dode bladeren waar de fik in was gezet.

Ook bungelde ik helemaal onderaan in de Aanstekerspiramide. De Aanstekerspiramide gaat uit van het idee dat aanstekers altijd in omloop zijn. Sommige mensen – degenen die zich in het topje van de piramide bevinden – eindigen een avond met acht onbekende exemplaren in hun zak. Andere mensen moeten ze daarentegen steeds opnieuw kopen – dat was ik. En mijn ware aard openbaarde zich bij mijn stoppoging: ik vond roken te duur worden, mijn haar rook naar asbak en het werd stomvervelend om ’s avonds laat naar benzinestations te moeten fietsen. Dus ik stopte.

In het begin vond ik het nog interessant („Ik heb zeker vijf sigaretten vandaag níét gerookt! Goed, hè!”), maar toen die nieuwigheid eraf was, dacht ik: hmm. Misschien moet ik maar weer beginnen. Dus ik stak een sigaret op – en vond het vies. Opeens merkte ik dat ik die rochelende ochtendsigaret helemaal niet had gemist, net als die koffiesigaret of de na-het-vliegensigaret.

Mijn Niet-Roker-zijn was een feit.

Nu rook ik enkel nog op de spaarzame momenten dat ik er echt zin in heb (die bepaald worden door een soort hard gewerkt/vakantie + alcohol rekensom). En heb ik gisteren meegedaan aan de Wereld Niet Roken Dag – maar echt een prestatie was het dus niet.

    • Renske de Greef