In de schoot der schoten

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Luuk Gruwez: Wijvenheide.De Arbeiderspers, 81 blz. € 17,95

De poëzie van Luuk Gruwez is een virtuoze koorddans op de taal. Met meeslepende trombonisten en een rappe paukenslager in de orkestbak, want het idioom en de woordschikking zijn klankrijk. In zijn gedichtendagessay Pizza Peperkoek & andere geheimen (2009) onderstreepte Gruwez het muzikale belang van het genre. De kracht van gedichten, stelde hij, is ‘beluisterbare schoonheid’. Afgaand op zijn buikgevoel ontdekte hij heel jong al dat poëzie er niet moet ‘uitzien’, maar moet ‘weerklinken’. Van meet af aan was hij ‘een dichter van de stem met veel aandacht voor het orale aspect.’

In kunst, schreef de dichter Jan G. Elburg, is ‘raak’ meestal mis. Dat euvel kleeft ook aan welluidendheid. Bij Gruwez gaat het zelden ten koste van de betekenis, maar de emotie kan bedolven raken onder het klankenspel. Dat ervoer ik bij lezing van Gruwez’ bundel Allemansgek (2004). Ik kreeg – en krijg bij herlezing nog altijd – zelden de indruk dat de schrijver van die bundel betrokken was bij wat zijn inkt verkondigde. De tekst verplaatste zich met schijnbaar gemak en listig verwoord in andermans inborst, maar Gruwez’ eigen middenrif leek op slot. De poëzie bleef zielloos achter een mombakkes.

Dat een dichter die naar eigen zeggen is opgevoed met de rolluiken langs de ramen, toch ruimte kan geven aan vanouds weggestopte emoties blijkt uit Gruwez’ nieuwe bundel, Wijvenheide. Opnieuw, bijvoorbeeld in het titelgedicht, etaleert Gruwez elegante, maar vrijblijvende rondedansjes in de stijl van Gerrit Komrij, maar regelmatig ook gunt hij zijn lezer een blik in de dichtersziel.

Op zulke momenten toont hij betrokkenheid met zijn personages. Dat gebeurt vooral in de memento’s voor Lutgart Deferme en Francisco Ruiz Udiel. Voor Deferme, die de terminale spierziekte ALS had, schreef Gruwez een tweeluik, waarvan vooral het eerste deel een inleving toont die de dichter doorgaans uit de weg lijkt te gaan.

Nu je besloten hebt te gaan, talm niet en ga.

Maar laat je foto op de schoorsteen staan

en groet de koekoek in je koekoeksklok.

Zoek met je ene hand niet langer naar je andere:

het meeste van jezelf ligt eeuwen ver.

Knik met je hoofd zo heftig als nog kan, en mompel ja

tegen de naaste die je laatste licht uitdoet, de deur dicht-

maakt, terwijl een lief en nederig vergif je aders spoelt.

Talm niet en ga. Wie liefheeft wil nu dat je slaapt

en dat jij je, daarginds, de benen van het lijf af loopt.

Op z’n best ook is Luuk Gruwez in de cycli in deze bundel. Raadselachtig indrukwekkend is de driedelige reeks ‘Het zeggen van András’. In het derde gedicht vertelt András dat hij bij gebrek aan portretten altijd zonder die slapen gaat. ‘Maar als ik slapen wil, kan ik de slaap niet vatten. / Ik streel de hele nacht als een bezetene mijn muren.’

Zulke slotregels vergen een toelichting, en die geeft Gruwez ook in de ‘Aantekeningen’ achter in zijn bundel. De cyclus, meldt hij daar, verwijst naar András Pándy, die in Leuven Centraal een levenslange gevangenisstraf uitzit voor moord op zijn twee vrouwen en vier van zijn stiefkinderen. Dat moet de cyclus dan maar verklaren.

Gruwez heeft een voorkeur voor ‘geteisterde’ personages. Die voorkeur strekt van de in Alaska wonende Marie Smith Jones, de laatste mens die Eyak sprak, tot en met de meer dan zeshonderd varkens die op 28 december 2010 bij een brand in een varkensstal te Meer om het leven kwamen. Luuk Gruwez portretteert ze met realistisch mededogen.

En omgekeerd brengt hij portretten, zoals de Venus van Lucas Cranach, tot tartend leven. ‘Een minnaar voor elk lichaamsdeel’ heet de elfdelige cyclus over Cranachs portret. Gruwez schreef de reeks in opdracht van het Egidius Kwartet, en tijdens de uitvoering werd de liefdesgodin in digitale kleren gepresenteerd en vervolgens etappegewijs tot haar naakte essentie teruggebracht.

Ook de cyclus ‘De kerf in je wang’ zinspeelt op een kunstwerk, in dit geval een vijftal etsen van Karel Dierickx. Het is jammer dat die etsen niet bij de gedichten zijn afgebeeld, terwijl de Cranach-reeks en andere gedichten wel zijn geïllustreerd.

Maar doorgaans heeft de poëzie van Gruwez geen illustratie nodig. Op haar sterkst is ze zelf illustratie, zoals in de rake schets van ‘De Broekelzen’, een natuurreservaat in West-Vlaanderen.

Ieder moeras is een moederschoot, waar

zich – krakkemikkig – een wereld ontspint,

waar men kan zinken in dieper moeras,

waar zich – krakkemikkig – een wereld ontspint

onder dat telkens weer diepere moeras.

Daaronder het allerdiepste moeras,

moeras der moerassen, schoot

der schoten. Doodsimpele dood.

Van kamerbreed tot miniatuur, Luuk Gruwez geeft het taal. In Wijvenheide gaan humor en mededogen daarbij hand in hand.