Geen bevelhebber, maar stafchef

Charismatisch Anti Revolutionair Barend Biesheuvel presenteerde in 1971 zijn regering van ‘sterke mannen’. Een jaar later viel dat kabinet. En men had geen goed woord over voor ‘Mooie Barend’. Leer hem kennen in een nieuwe biografie.

Wilfred Scholten: Mooie Barend. Bert Bakker, 816 blz. € 39,95

‘Geen grote AR-premier’, stond elf jaar geleden in deze krant als kop boven de door J.M. Bik geschreven necrologie van de op 81-jarige leeftijd overleden christen-democratische oud-politicus Barend Biesheuvel. ‘Een kortaangebonden regent, in een tijd dat krachtige regenten het niet meer vanzelfsprekend voor het zeggen hadden’, luidde diezelfde tijd de conclusie van Volkskrant-journalist Jan Joost Lindner in zijn necrologie.

Echt vleiend waren de oordelen niet over de man die tien jaar lang, van 1963 tot 1973, politiek leider was geweest van de Anti Revolutionare Partij (ARP), de protestants-christelijke partij die in de tweede helft van de jaren zeventig samen met de Katholieke Volkspartij (KVP) en de Christelijk Historische Unie (CHU) opging in het Christen Democratisch Appèl (CDA). Biesheuvel, aldus de breed gedeelde opvatting, was een mislukt politicus.

Verrassend en opmerkelijk, want Biesheuvel was de charismatische Anti Revolutionair van wie, toen hij in 1971 als minister-president aantrad, enorm veel werd verwacht met zijn kabinet van ‘sterke mannen’. Terwijl de andere twee confessionele partijen en met name de KVP gestaag afkalfden, wist de ARP zich in de kolkende jaren zestig onder leiding van Biesheuvel prima te handhaven. Het gezag van de bijna twee meter lange politicus was mede door zijn imponerende postuur groot.

Hoewel hij niet de aanvoerder van de grootste partij was, werd hij in 1971 op basis van dat gezag aangewezen als premier. Het liep uit op een drama. Nauwelijks een jaar nadat koningin Juliana het uit vijf partijen (KVP, ARP, CHU, VVD en DS’70) bestaande kabinet had beëdigd, meldde Biesheuvel zich al weer bij haar om het ontslag van zijn equipe aan te bieden. Vervroegde verkiezingen volgden, waarmee, zo zou 163 dagen later blijken, de weg werd vrijgemaakt voor het roemruchte kabinet Den Uyl. ‘Niet de Nacht van Schmelzer betekende een breuk in de parlementaire geschiedenis, maar de val van het kabinet onder leiding van Barend Biesheuvel’, zegt de inmiddels overleden commentator Willem Breedveld van dagblad Trouw in de deze week verschenen biografie van Biesheuvel, Mooie Barend, geschreven door journalist Wilfred Scholten.

Waarom liet de ogenschijnlijk politiek zo gepokt en gemazelde Biesheuvel zijn kabinet zo makkelijk ineenstorten met alle politieke en persoonlijke gevolgen van dien?

Het is de telkens terugkerende vraag die ook bij zijn dood, veertig jaar na het gebeurde, onbeantwoord bleef. Nooit heeft Biesheuvel er in het openbaar diep op willen ingaan. Het lag aan nieuwkomer DS´70 en haar twee onervaren ministers, aldus zijn summiere en door andere direct betrokkenen betwiste verklaring. Nu was de directe aanleiding voor de breuk in de zomer van 1972 inderdaad een nachtelijk conflict tussen de DS´70 ministers Drees en De Braauw en de overige leden van het kabinet over de begroting. Maar dan blijft de vraag waarom Biesheuvel het zo ver heeft laten komen en wat de diepere oorzaken waren.

Helaas levert ook de niet minder dan 816 pagina´s tellende biografie waarop Scholten afgelopen woensdag aan de Vrije Universiteit promoveerde, niet het ultieme antwoord op. Scholten vermoedt dat de val veel te maken had met het moeilijke karakter van Biesheuvel waardoor ‘de calculerende regelaar plotsklaps een emotioneel en soms roekeloos mens-van-vlees-en bloed’ kon worden.Zoals Scholten zelf stelt: ‘Was hij dan niet genoeg machtspoliticus om te beseffen wat de consequenties zouden zijn? Hoe kon iemand die dit ambt zo lang gezocht had, dat zo makkelijk in de waagschaal stellen?’ Wellicht dat Biesheuvel gewoon niet geschikt was voor het ambt. Dat zegt Piet de Jong, leider van het kabinet dat van 1967 tot 1971 vooraf ging aan Biesheuvel. ‘Ik denk dat Biesheuvel een ongelooflijk goede tweede man is, maar een slechte eerste. Geen bevelhebber, maar stafchef.’

Ongetwijfeld zijn de harde oordelen van collega-politici over Biesheuvel beïnvloed door wat volgde op de val van zijn kabinet. Gerekend was op herstel van de vertrouwde coalitie tussen de drie confessionele partijen en de VVD. Dat bleek een taxatiefout, want het werd na een slopende kabinetsformatie het ‘rode kabinet met een witte rand’ onder PvdA-er Joop den Uyl waarbij KVP en ARP een relatief marginale rol kregen. Een kabinet dat mede mogelijk was geworden doordat tijdens de slepende kabinetsformatie twee ARP-politici, Boersma en De Gaay Fortman, buiten medeweten van partijleider Biesheuvel, formateur Ruppert hadden toegezegd tot een kabinet Den Uyl te willen toetreden. ‘Er heeft zich thans een dramatische gebeurtenis voltrokken waarvan spreker de consequenties voor de ARP nog niet geheel overziet’, concludeerde Biesheuvel tijdens de fractievergadering waar Boersma zijn besluit kenbaar maakte. Eén van die gevolgen was dat Biesheuvel kort daarop de politiek verliet.

‘Een kabinet van nationale kanjers zou er komen’, voorspelde KVP-leider Norbert Schmelzer begin 1970 tegenover weekblad de Haagse Post, ruim voordat in 1971 verkiezingen voor de Tweede Kamer zouden worden gehouden. Volgens de overlevering werden in het najaar van 1970 tijdens een werkbezoek aan de bar van het Londense Kensington-hotel de plannen nader uitgewerkt tussen de aanvoerders van KVP, ARP, CHU en VVD.

Zelfs de ministersposten waren al onderling verdeeld. Biesheuvel moest premier worden, Schmelzer minister van Buitenlandse Zaken, VVD-leider Geertsema minister van Binnenlandse Zaken.

Het verhaal is door de betrokkenen later gebagatelliseerd. ‘Natuurlijk hebben we kabinetten zitten formeren. Ik heb er talloze gemaakt’, zei Biesheuvel eind jaren negentig. Maar volgens biograaf Scholten moet de bagatellisering van Biesheuvel ‘met een korreltje zout worden genomen’. In kleine kring had hij zijn ambities om minister-president te worden al kenbaar gemaakt. Tevens is duidelijk dat Biesheuvel al ruim van tevoren door de KVP-er Schmelzer was voorbestemd om premier te worden. Vanwege de wil de drie confessionele partijen samen te voegen tot één christen-democratische partij was het volgens Schmelzer beter een protestant als premier naar voren te schuiven.

Het is het tragische lot van menig politicus dat zijn plek in de geschiedenis wordt bepaald door een enkele gebeurtenis. Dat is zeker met Biesheuvel en zijn mislukte kabinet aan de orde. Hooggespannen verwachtingen sloegen snel om in een desillusie. Maar wat is de verdere betekenis nog geweest van ‘mooie Barend’ - een kwalificatie die hij te danken had aan zijn zeker bij vrouwen goed overkomende uitstraling?

Scholten doet in zijn soms te gedetailleerde biografie een poging het bredere perspectief van de boerenzoon te schetsen. Biesheuvel was ook degene die vanuit de Tweede Kamer ten tijde van het kabinet De Jong (1967-'71) met zijn befaamde ‘schoten voor de boeg’ een sterk geprofileerd politiek leiderschap ontwikkelde. Hij bleek de tijdgeest prima aan te voelen toen een commissie onder zijn leiding in 1970 met radicale voorstellen kwam voor het openbaar maken van overheidsinformatie. Daaraan had hij zijn andere bijnaam, ‘open Barend’ te danken.

Maar in zijn oordeel over de persoon Biesheuvel stuit Scholten steeds op de negatieve karakterologische constanten – zich uitend in autoritair en overheersend gedrag – die Biesheuvel ook tijdens zijn kabinet opbraken. Een eigenschap die hij toeschrijft aan ‘een gevoel van onzekerheid’.

Econoom Arie van der Zwan, die Biesheuvel later als commissaris bij de Nationale Investeringsbank meemaakte, zegt dat Biesheuvel niet over ‘innerlijke zekerheid’ beschikte. Volgens Scholten had het politieke spectrum er heel anders kunnen uitzien als Biesheuvel zijn onzekerheid had opgevangen met goede adviseurs en zijn koppigheid bij tegenslag had kunnen onderdrukken. Dan had hij zich met zijn pragmatische houding en principiële achtergrond zelfs kunnen ontwikkelen tot ‘een Lubbers avant la lettre’. Een weinig onderbouwde hypothese, want het was juist Biesheuvel die zichzelf in de weg zat. En natuurlijk was er de politieke concurrentie, ook in zijn eigen partij die een andere kant op wilde. Ook in de christen-democratie ging men niet zachtzinnig met zijn mensen om.

Scholten beëindigt zijn boek met de zinnen: ‘In het zand van de algemene begraafplaats in Bloemendaal rust Barend Willem Biesheuvel. Een kleurrijk persoon. Een hartstochtelijk politicus. Een complex mens. Mooier kunnen we Barend niet maken.’ Na zoveel pagina’s is dat al met al een tamelijk dodelijke slotzin.