Elke voorkeur is menselijk

John Irving, april 2012 Foto AP/Aaron Vincent Elkaim

John Irving: In een mens. Vertaald door Molly van Gelder en Nicolette Hoekmeijer. De Bezige Bij, 528 blz. € 19,90

Vrijwel op de laatste pagina van John Irvings nieuwe roman In een mens wordt verteller Billy Abbott, een biseksuele romanschrijver, met de nodige virulentie verweten dat hij doet ‘alsof al die seksuele uitwassen normaal zijn [...] U verzint al die personages die in seksueel opzicht „anders” zijn, zoals u het zou noemen – of „gestoord”, zoals ik het zou noemen – en dan verwacht u van ons dat we begrip voor ze hebben, of mededogen, of wat dan ook.’ En ja, erkent Billy Abbott, daar komt het inderdaad zo’n beetje op neer.

Deviatie van de seksuele norm is voor Irving geen nieuw thema. De bestsellerauteur, die eind jaren zeventig doorbrak met zijn vierde roman De wereld volgens Garp, blinkt al dertien romans uit in excentrieke karakters die het nodige te stellen hebben met aseksualiteit, homoseksualiteit, transseksualiteit en biseksualiteit, maar ook met verkrachting, incest, abortus, pedofilie en overspel. Seksuele identiteit en individualiteit hebben bij Irving alles met elkaar te maken, en zijn oeuvre kan (nee, móét) gelezen worden als een onophoudelijke liefdeverklaring aan verscheidenheid.

Dat In een mens wordt aangemerkt als Irvings meest politieke roman sinds Bidden wij voor Owen Meany (1989) heeft vooral te maken met timing. Terwijl president Obama een politieke aardverschuiving teweegbracht door publiekelijk het homohuwelijk te omarmen – een standpunt waar hij, net als een krappe meerderheid van de Amerikaanse bevolking, naartoe is ‘geëvolueerd’ – onderstreept Irving de inherente menselijkheid van élke seksuele voorkeur.

Niet dat Billy Abbott er ooit aan zou denken een man te trouwen; daarvoor houdt hij te veel van een afwisselend seksueel banket. Billy groeit op in First Sister, Vermont, zonder vader en omringd door een familie waarin geheimhouding ‘endemisch’ is. Al jong ontwikkelt hij het talent ‘verliefd te worden op de verkeerde’: zijn stiefvader Richard, de nogal masculiene, oudere bibliothecaresse Miss Frost, en worstelkampioen annex pestkop Kittredge. Miss Frost initieert Billy in serieuze literatuur, en later ook in intercrurale seks (oftewel: tussen de dijen), Richard betrekt Billy vooral bij toneelopvoeringen van Shakespeare, waarin travestie een terugkerend thema is. Niet alleen door de bard zelf, die vaak met sekse speelde, maar ook dankzij Billy’s opa Harry, die zich op het toneel bij voorkeur in jurken hijst.

In een mens is het verhaal van Billy’s leven als seksuele outsider. Hij accepteert al snel, zonder mitsen en maren, zijn biseksualiteit, hoewel hij ontdekt dat een biseksueel zowel door hetero’s als homo’s wordt gewantrouwd. Via zijn vroege seksuele ervaringen tijdens reizen door Europa en een studie in Wenen, belanden we in de jaren tachtig, waar het spook van aids opdoemt. Billy loopt zelf relatief weinig gevaar – een top krijgt de ziekte minder snel dan een bottom; bovendien gebruikt hij steevast condooms – maar onder zijn vrienden en geliefden richt de ziekte een slagveld aan.

De levenslustige toon van de rest van het boek krijgt hier een duistere schaduw, die een aantal van de sterkste en meest beeldende scènes kleurt. ‘Het is niet alleen dat je haar haast doorschijnend lijkt en vreemd ruikt,’ merkt Billy over een patiënt op. ‘Het is het zout dat opdroogt en aankoekt op je voorhoofd, door de aanhoudende koorts en het onophoudelijke zweten. Het zijn ook je slijmvliezen – die zitten tjokvol gist. Het is een zurige lucht die tegelijk iets fruitigs heeft – een beetje als gestremde melk, of schimmel, of natte hondenharen.’

Aids confronteert hem, meer dan zijn seksuele identiteit deed, met een moreel dilemma. ‘Ik was niet bang om dood te gaan, ik was bang om me schuldig te voelen, tot in lengte van dagen, omdat ik niet doodging. Ik kon me er niet bij neerleggen dat ik misschien aan het aidsvirus zou ontsnappen door zoiets toevalligs als een arts die me niet mocht, maar die wel had gezegd dat ik condooms moest gebruiken, of dat ik gered zou worden door het geluk dat ik een top ben.’ De een na de ander kwijnt weg gedurende de jaren tachtig van Reagan, die, zo merkt Billy fijntjes op, in zeven van zijn acht presidentsjaren het woord ‘aids’ niet in de mond nam.

Met dit boek gedenkt Irving hele generaties die hebben geleden onder hun afwijkende seksuele preferenties. Dat is lovenswaardig. Maar maakt het In een mens ook tot een goede roman?

Het antwoord is: nee. De bijzondere cast van (vaak) aimabele karakters, Miss Frost en opa Harry voorop, kan niet verhullen dat het boek warrig van constructie is en lijdt onder doublures. Er is echter een groter probleem. Het verwijt dat Billy aan het eind van In een mens gemaakt wordt – dat hij hoofdzakelijk personages verzint die seksueel ‘anders’ zijn – is ingegeven door bekrompenheid; niettemin is het een verwijt dat Irving zelf gemaakt kan worden vanuit romantechnisch oogpunt. In In een mens ben je bijna een weirdo als je niet homo of bi bent, als man vrouwenkleren draagt of je wilt laten ombouwen. Met zo’n irreële hoeveelheid ‘seksuele verdachten’, om een oude Irving-term te bezigen, is het onvermijdelijk dat de lezer afstand neemt en niet meer geraakt wordt.

John Irving is te gast op het VPRO Boekenfestival, morgen in Amsterdam. Daar treden ook Arnon Grunberg, Herman Koch, Redmond O' Hanlon en Franca Treur op. http://boeken.vpro.nl/festival.html

    • Auke Hulst