De Bovenbazen (21)

‘Kijk maar, alle planten zijn aangevreten. Alles gaat hier naar de vernerving! Kom maar mee, dan zal ik u eens iets laten snuiven. Maar het ruikt rood, hoor!’

Hij verliet met snelle pas de bosrand en liep de weide in. Het was duidelijk dat de belangstelling hem goed deed en daarom volgde heer Ollie zonder bedenkingen. Zijn nieuwsgierigheid was trouwens ook opgewekt.

‘Hoe kan iets rood ruiken?’ vroeg hij. ‘Zoiets vreemds heb ik nog nooit gehoord. En ik snap niet…’

‘Daar!’ zei Pastinakel, plotseling stilstaande. Hij wees op enig ongedierte dat zich krioelend op een afgeknaagd blad bewoog en vervolgde vol afkeer: ‘De gele nerfknager! Ruikt u wel? Dit is het begin, maar binnen twee zonnen zijn er zeven maal negen maal zoveel als er nu zijn. Dan zijn er giljoenen – en dan wordt alles kaal.’

‘Kevers!’ zei heer Ollie begrijpend. ‘Ja, ja, een insectenplaag! Dat is vervelend voor het gewas; ik heb daar wel eens van gehoord. Jammer, hoor. Komaan, ik ga maar…’

Verder kwam hij niet, want plotseling werd hij door een invallende gedachte getroffen en met een zwaai trok hij zijn aandelen te voorschijn. ‘Insecten!’ zo riep hij uit. ‘Oho! We zullen ze! Vat moed, heer Pastinakel. Hier voor u staat de heer die u hebben moet. Ik, Olivier B. Bommel bezit alle ddt van de wereld.’

    • Marten Toonder