Bij Meijsing is er geen gezin dat deugt

Doeschka Meijsing: Het kauwgomkind. De verhalen. Querido, 272 blz. € 18,95

Als een geliefd schrijver wordt weggerukt uit het leven, betreur je niet alleen de persoon, maar ook het werk dat er nooit meer zal komen. Bij de in januari overleden Doeschka Meijsing is dat gevoel des te heviger omdat ze op het toppunt van haar kunnen stond. Voor haar laatste roman Over de Liefde (2008) kreeg ze terecht de AKO-literatuurprijs. Uit de postuum verschenen verhalenbundel Het kauwgomkind blijkt dat er nog veel meer van dit soort hoogwaardig autobiografisch proza in het vat zat. Naarmate zij als schrijver groeide, slaagde ze er met steeds meer raffinement in haar eigen leven en obsessies literair vorm te geven, verwijzend naar, maar nooit simpel herleidbaar tot, de werkelijkheid.

Van de 23 verhalen in Het Kauwgomkind zijn de laatste vier niet eerder gebundeld. Meijsing had ze bedoeld voor een nieuw boek met familieverhalen die ‘hard en kaal, genadeloos’ moesten zijn, aldus Xandra Schutte in een nawoord. En genadeloos zijn ze, voor alle personages, maar het meest voor de moeders/echtgenotes in de aan haat en nijd ten onder gaande, o zo keurige gezinnen.

Angstaanjagend en bitter zijn vooral de spiegelende verhalen ‘De oude man & het zwijgen’ en ‘De kinderen’ waarin een jaarlijks kerstritueel eerst vanuit het perspectief van de pater familias wordt beschreven en vervolgens uit dat van kleine kinderen. De oude man haat zijn bedillerige vrouw, heeft een hekel aan zijn lawaaiige kinderen en kleinkinderen. Ze behandelen hem alsof hij dement is, maar hij weet wel als enige hoe je ‘lachen als een boer met kiespijn’ in het Frans vertaalt: rire jaune. Dit zure lachen van mensen die tegen hun zin tot elkaar veroordeeld zijn en toch de schijn van saamhorigheid op moeten houden, blijft nog lang naklinken. De oude man weet trouwens op indrukwekkende wijze te deserteren.

In ‘De kinderen’ deserteert de moeder op Kerstavond, haar vier jonge kinderen verbijsterd achterlatend. Als zelfs rituelen niet meer helpen om een gezin bij elkaar te houden is complete desintegratie onvermijdelijk. Onder de handen van Meijsing valt alles aan gruzelementen: huwelijken, relaties, individuen. De oudste dochter denkt alleen nog aan haar eigen definitieve desintegratie, haar begrafenis. Haar broer vergelijkt zichzelf met de doodgevroren kat. ‘Ook hijzelf zou ooit eens zo liggen en hij zou niet eens voelen dat de aarde boven hem weer zachter werd.’

De dood is nooit ver weg in deze laatste verhalen van Meijsing en er wordt met enige gretigheid naar uitgekeken. In ‘Cadeautje hoort erbij’ over alweer een familieritueel om de boel bij elkaar te houden, schiet een vader in aanwezigheid van zijn vierjarige zoontje zichzelf aan flarden. Zo ver komt het niet in het onvoltooide titelverhaal ‘Het kauwgomkind’ dat refereert aan een gedicht van Jac. van Hattum: ‘Het kauwgomkind weet nog niet goed,/ hoe of het zich gedragen moet’. Een schijnbaar gelukkig gezin is zojuist verhuisd naar een op Haarlem lijkende stad. Er lijkt geen vuiltje aan de lucht, totdat er iemand aanbelt, die de verhouding tussen de moeder en haar vijfjarige dochtertje voorgoed zal verstoren. ‘Er loerde iets gevaarlijks’.

Wat er op de loer lag zullen we nooit weten, maar valt min of meer op te maken uit de bij herlezing nog altijd ijzersterke oudere verhalen. Hoe verhelderend bijvoorbeeld om in ‘Temporis acti’ uit 1974 de gymnastiekjuffrouw terug te vinden op wie de vrouwelijke ik-figuur verliefd was en die later zo’n prominente rol zou krijgen in Over de liefde. Voor wie van Doeschka Meijsing houdt is deze bundel beslist een postuum ‘cadeautje dat er bij hoort’.

    • Elsbeth Etty