Als hersenen op hol slaan

Meisjes in Ophemert, 2010 Foto William Hoogteyling/HH

Eveline Crone: Het sociale brein van de puber. Bert Bakker, 192 blz. € 18,95

Na haar bestseller Het puberende brein (2008) kreeg hoogleraar neurocognitieve ontwikkelingspsychologie Eveline Crone talloze vragen van ouders en leerkrachten: waarom luistert mijn puber niet meer naar mij? Hoe kan ik voorkomen dat ze alcohol gaan drinken? Hoe laat mogen ze thuiskomen? Waarom zijn pubers zo weinig bezig met schoolwerk? Kunnen we daar invloed op hebben? Ze besloot een nieuw boek te schrijven, dit keer over het sociale brein van pubers.

In Het sociale brein van de puber beschrijft Crone eerst de verschillende stappen in de sociale ontwikkeling van een puber, zoals het effect van afwijzing en het ontwikkelen van een complex zelfbeeld. Vervolgens legt ze uit welke delen van de hersenen hierbij betrokken zijn.

Een kenmerkend voorbeeld: uit onderzoek blijken twee hersengebieden bij jongeren heviger te reageren dan bij volwassenen bij het zien van boze gezichten (de amygdala) en bij het zien van blije gezichten (het striatum). Dan volgt de casus van de verlegen Miriam die nare blikken krijgt toegeworpen door andere meisjes op school. Ze voelt zich er onprettig door. Vervolgens worden twee meisjes opgevoerd die samen de slappe lach hebben. Zij zijn het tegenovergestelde van Miriam, meent Crone, hoeveel boze blikken ze ook krijgen toegeworpen, ze blijven lachen.

Conclusie: jongeren zijn hypergevoelig voor emotionele gezichten, maar de mate waarin jongeren zich wat aantrekken van boze blikken verschilt, evenals de activiteit van de amygdala. Bij de meisjes met de slappe lach werkt hun blijheid waarschijnlijk in op het striatum.

Dit voorbeeld toont zowel de aantrekkingskracht als de zwakte van Crones benadering. Met haar werk wil ze inzicht geven in gedrag en zo bijdragen aan beter begrip. Dat inzicht zou dan bestaan uit de samenhang tussen een biologisch proces en een psychologisch fenomeen. Maar draagt dat bij tot beter begrip bij de ouders en leerkrachten met hun vragen? Begrijp je Miriam beter wanneer je weet dat haar amygdala op hol slaat? Wat kan een leraar met de wetenschap dat de slappe lach van twee pubers in zijn klas samenhangt met activiteit in het striatum?

Crones boek past in een trend die nog het best als breinreligie omschreven kan worden. Dick Swaabs populaire We zijn ons brein is het bekendste voorbeeld. Er klinken inmiddels tegengeluiden. Volgens hoogleraar klinische psychologie Jan Derksen wordt menselijk gedrag door collega-psychologen onterecht gereduceerd tot een proces in de hersenen. Verlangens, motieven, idealen, emotieregulatie: ze hebben geen plek meer in het psychologisch discours. Harde wetenschappelijke resultaten worden tegenwoordig in het brein gevonden en niet, zoals psychologen van oorsprong doen, door het opstellen en onderzoeken van een theorie om de menselijke psyche beter te begrijpen. Dat dit soort theorieën nog steeds hun waarde hebben blijkt uit het volgende: Crone gebruikt de beroemde theorie van Erik Erikson over identiteitsontwikkeling om het ontstaan van een complex zelfbeeld in het brein uit te leggen. Een interessante passage overigens, omdat helder wordt hoe het ontstaan van een gedifferentieerder zelfbeeld in het brein van pubers te traceren is.

Weetjes

Met dat soort weetjes is niks mis. Maar de breinreligie ontneemt mensen hun verantwoordelijkheid. Die discussie bestaat al langer wanneer het gaat om stoornissen als depressie en ADHD, maar tegenwoordig worden ook geestelijk gezonde mensen biologisch gedetermineerd. De illusie van de vrije wil is een schoolvoorbeeld. In zijn boek Wilskracht. De herontdekking van de grootste kracht van de mens, dat een pleidooi is voor de herwaardering van zelfcontrole, ontrafelt de Amerikaanse psycholoog Roy Baumeister dit misverstand in het debat over de vrije wil.

Natuurlijk vinden veel processen waarbij wilskracht een rol speelt zich onbewust af, zegt Baumeister. Tijdens een zakenlunch hoef je jezelf niet de hele tijd bewust in te houden om de biefstuk van het bord van je baas te pakken. De verwarring ontstaat volgens hem omdat onderzoekers eigenschappen van kleine gedragseenheden (op het niveau van het neurotransmitters en zenuwcellen) generaliseren naar grotere gedragspatronen, zoals roken, drinken en te veel eten.

Niemand is zich bewust van zenuwcellen die hun werk doen. Wilskracht komt pas om de hoek kijken bij het bewust beoordelen van je gedrag als onderdeel van een patroon. Eén sigaret brengt je gezondheid niet in gevaar, één mislukte opdracht zal je loopbaan niet kapot maken. Maar om gezond en succesvol te blijven moet je elke keer opnieuw actief de wilskracht opbrengen om verleidingen te weerstaan. In zijn boek staan talloze voorbeelden die laten zien dat dit te leren is.

Ook al erkent Crone de rol van sociale omgevingsinvloeden op de ontwikkeling en schrijft ze bovendien nadrukkelijk dat haar boek geen opvoedboek is, toch wordt de suggestie gewekt dat kennis uit de hersenwetenschap opvoeders in staat stelt beter met een puber om te gaan.

En dat is de vraag. Waarschijnlijk heeft Miriam er meer aan wanneer haar gevraagd wordt waarom ze zich zo onprettig voelt door die blikken in het fietsenhok dan wanneer haar ouder of leraar haar gedrag toeschrijft aan een overactieve amygdala.

    • Marte Kaan