1000 woorden per dag

Ernest van der Kwast is een schrijver die op zijn best is wanneer hij de mouwen op kan stropen. Dat blijkt uit nieuwe verhalen, waarin nogal wat oudere heren optreden.

Ernest van der Kwast: Giovanna’s navel. De Bezige Bij, 160 blz. € 16,90

Als het aan de moeder van Ernest van der Kwast had gelegen, was haar jongste zoon arts geworden. Net als zijn vader. Of advocaat. Of rechter. Of belastingdeskundige. Maar tot haar ontzetting brak hij zijn economiestudie voortijdig af om een boek te schrijven. En daarna nog meer boeken. Eerst onder pseudoniem, later onder eigen naam. Aanzien en geld, dat zijn de twee zaken waar het volgens haar in het leven om draait. Daarom is het wel ironisch dat Van der Kwast juist met Mama Tandoori (2010), een komische roman over de nukken en grillen van zijn Indiase moeder en haar eigenzinnige familie, zijn naam als schrijver vestigde. Hij won er bijna de NS-Publieksprijs mee. Voor zijn moeder, zo legde hij uit in een interview met deze krant, telt intussen alleen nog de Nobelprijs. Als hij die ooit in de wacht zou weten te slepen, zou hij haar toch nog gelukkig kunnen maken met zijn schrijverschap.

Zo ver is het nog niet. Wel geeft Van der Kwast in Giovanna’s navel, zijn nieuwe verhalenbundel, al een beeld van hoe het er over pakweg veertig jaar met hem zou kunnen voorstaan. In het laatste verhaal, ‘Wijngaard’, komt een bejaarde schrijver aan het woord. Hij kijkt tevreden terug op zijn leven en loopbaan. Zijn echtgenote is altijd bij hem gebleven, ondanks de vele affaires met vrouwen die hij tegenkwam tijdens zijn talkshows, tournees en lezingen. Hij is ook blij met zijn romans en verhalenbundels die ‘een gegarandeerde oplage van tienduizenden exemplaren’ hebben en bovendien met enige regelmaat worden herdrukt. Toen zijn boerderij in Zuid-Tirol aan een renovatie toe was, stroopte hij zijn mouwen nog maar eens op en schreef hij in een vloek en een zucht een bestseller. ‘De woorden schoten op het papier, vijfduizend per week.’

De andere vijf verhalen in Giovanna’s navel klinken wat minder zelfverzekerd en wekken trouwens ook bepaald niet de indruk zo uit de jeugdige mouw te zijn geschud. De toon is juist nogal bedaagd en afgemeten, zeker vergeleken met het springerige, cabareteske karakter van Mama Tandoori. Steeds zijn het oude mannen die terugkijken op hun voorbije leven. Maar anders dan de successchrijver uit het slotverhaal, is het hen wat minder voor de wind gegaan. Ze zijn ongetrouwd gebleven, ze hebben hun kans voorbij laten gaan, of hun huwelijk al te lichtzinnig op de klippen laten lopen. En nu, op hun oude dag, zijn ze eenzaam en hebben ze wroeging om alles wat ze hebben nagelaten.

Levenslustig

Er valt deze keer wel erg weinig te lachen en het helpt zeker niet dat Van der Kwast koos voor een grijze, zakelijke manier van vertellen. De levenslustige zoons uit Mama Tandoori zijn hier in één klap ouwe jongens geworden, die voorzichtig een bosje bloemen gaan leggen op moeders graf, want een lelijke smak is natuurlijk snel gemaakt. Ook maken ze graag in slakkengang een ommetje met hun al even bejaarde hond.

Alle verhalen spelen zich af in het ook al wat gezapige Zuid-Tirol, waar Van der Kwast zelf ook een woning heeft. Neem nu het verhaal over Rogier van Zeeuwen, een voormalige handelaar in onroerend goed, die met Kerst altijd een kamer boekt in ‘Gasthof Kohlern’. Hij denkt terug aan de tijd toen hij nog jong was en gewild. ‘Hij dacht aan vervlogen avonden in andere landen, in grote steden. Le Procope in Parijs. Enorme spiegels, kroonluchters, pratende mensen. Levendigheid en beeldschone vrouwen. Terwijl hij champagne dronk, keek hij naar hun lange benen. Hij ging naar zijn hotel met een vrouw die tien jaar jonger was dan hijzelf.’ Het slot van dit verhaal vol clichés is dat Rogier van Zeeuwen besluit er een eind aan te maken, op die zelfde feitelijke, dulle toon. Geen lezer zal er rouwig om zijn.

Bolzano

Het veel langere titelverhaal, over een gepensioneerde appelplukker in een buitenwijk van Bolzano, is een stuk minder saai. Alleen al door het onverwacht harmonieuze en zowaar enigszins ontroerende slotakkoord. Twee jeugdgeliefden vallen elkaar, na jaren van vergeefs smachten, als hoogbejaarden weer in de armen. Van der Kwast weet hier, met zijdelingse anekdotes over appelteelt en miskramen, bikini’s en atoomproeven, opgewonden postbodes en gesneuvelde soldaten, een interessante boog te spannen tussen vroeger en nu.

De conclusie moet wel zijn dat het korte verhaal niet helemaal het juiste voertuig is voor Van der Kwasts verbeelding. Hij heeft meer ruimte nodig, meer armslag. Hij moet zijn mouwen kunnen opstropen en flink strooien met woorden, minstens duizend per dag. Een grap hier, een kwinkslag daar. Een bergje zus en een zonsondergangetje zo. En vooral niet te veel opa’s in één bundel. Die Nobelprijs lijkt me van later zorg.

    • Janet Luis