Tussen glorie en vergetelheid

Menno Wigman op de tekening die Paul van der Steen van hem maakte bij de verschijning van de bundel 'Mijn naam is Legioen'

Vanavond worden in De Balie uit het oog geraakte dichters geïnterviewd door Joris van Casteren en de Amsterdamse stadsdichter, Menno Wigman. Zal het net zo’n bewogen avond worden als tien jaar geleden?

De gemoedelijke en feestelijke sfeer die doorgaans rond boekpresentaties hangt, is op zeker een boek niet van toepassing geweest. Tenminste, als we de verhalen mogen geloven.

Tien jaar geleden, bij de doop van het boek In de schaduw van de Parnassus van journalist Joris van Casteren, schijnt bij sommige bezoekers het angstzweet uitgebroken te zijn. Voor zijn boek had Van Casteren interviews gehouden met ‘vergeten’ dichters: dichters die na een succesvolle periode in de vergetelheid waren geraakt. De presentatie van de interviewbundel vond plaats in Perdu. Op het podium werden een paar uit het oog geraakte dichters uit het boek nogmaals geïnterviewd. Dit alles onder toeziend oog van nog niet vergeten collega-dichters in de zaal, die in grote getale op de avond waren afgekomen.

Een van hen was dichter Menno Wigman. “We kregen het benauwd. We zagen ons geconfronteerd met de keerzijde van het schrijven: dat je op een bepaald moment ook helemaal uit beeld kunt raken en niemand je meer leest. Jean-Pierre Rawie, die toch al een lage productie heeft, vertelde dat hij die avond snel naar huis zou gaan om nog snel een gedicht te schrijven.”

Volgens Wigman was het “verschil tussen glorie en vergetelheid” die avond bijna tastbaar. Hij heeft de avond altijd onthouden. Toen hij stadsdichter van Amsterdam werd wist hij meteen dat hij nog eens zo’n avond wilde laten plaatsvinden. “Ik zal niet zoals mijn voorganger F. Starik 40 of 50 gedichten per jaar schrijven. Maar dit vind ik een aardig initiatief.”

En dus vindt er, tien jaar na die avond in Perdu, vanavond opnieuw een avond plaats rond vergeten dichters. Ditmaal in De Balie. Menno Wigman benaderde Joris van Casteren, en samen zullen zij gesprekken voeren met dichters als de voormalige Maximaal Koos Dalstra, Neeltje van Beveren en de inmiddels 92-jarige Michaël Deak, de voormalige dichter die tien jaar geleden ook voor Van Casterens boek en op het Perdu-podium werd bevraagd.

Deak, zo weet Wigman, is nog het doelwit van spot geweest van de Vijftigers. “Er bestaat een foto waarop Vijftigers als Campert en Kouwenaar heel streng naar een stapel in hun ogen verwerpelijke poëziebundels kijken. In die foto stond een uitspraak van de Vijftigers: ‘Er is een lyriek die wij afschaffen’. Het bovenste bundeltje van die stapel was van die arme Michaël Deak, een dichter van traditionele sonnetten.”

Maar het was niet de banvloek van de Vijftigers die Deak, pseudoniem van Simon Kapteijn,  van het dichten afhielp, zo meldt de zeer oude aan de telefoon. Hij is ook nooit verbitterd geweest over zijn na drie bundels gesneuvelde dichterschap. Hij schuift ook nu, net als tien jaar terug, graag weer aan bij de avond. “Nadat ik vlak na WO II drie bundels had gepubliceerd, was het vuur gewoon op. Ik had een groot deel van mijn jeugd in een seminarie doorgebracht, waar ik opgeleid werd als priester. Ik vat die tijd altijd samen onder de woorden ‘gemis en gevangenschap’, waarmee ik ook de drijfveer weergeef om poëzie te gaan schrijven. Toen mijn bundels verschenen en ik, inmiddels vrij van het seminarie, in het volle leven belandde, voelde ik geen drang meer om te dichten.”

In 1954 werd er voor het laatst een gedicht van Deak gepubliceerd, toen de uitgever Bert Bakker hem vroeg iets te schrijven voor een tijdschrift. “Ik vond het toen al vreemd dat ik nog niet vergeten was, om eerlijk te zijn.”

Daarna belandde hij in de journalistiek, werd adjunct-hoofdredacteur van het tijdschrift Avenue. Er waren niet veel mensen die wisten dat onder Simon Kapteijn de voormalige dichter Michaël Deak schuilging. “Toen twee van mijn gedichten werden opgenomen in de bekende poëziebloemlezing van Gerrit Komrij, zei Cees Nooteboom, die voor Avenue schreef, verbaasd tegen me: ‘Verrek, jij staat er ook in!’. Dat zegt misschien alles over mijn twee levens.”

“Het was natuurlijk moeilijk om dichters te vragen deze avond bij te wonen”, zegt Wigman. “Want je maakt daarmee toch duidelijk je zo iemand als een vergeten dichter beschouwt.”

Maar net als Michaël Deak vond ook een dichter als Koos Dalstra het geen onbehoorlijk verzoek. Wigman: “Hij zei: ‘ik vond het al zo jammer dat jullie me tien jaar terug niet vroegen’. Hij schijnt de afgelopen weer flink aan het dichten te zijn geslagen, zodat hij op de avond met nieuw werk kan komen.”

‘Vergeten Dichters’: vanavond om 20.00 in De Balie, Amsterdam. Inl.: de balie.nl.