Column

Toen ik 7 was... had ik een eend

Je leest als kind wel over eenden, maar het is toch anders als er echt een eend in je tuin zit.

Toen ik 7 was had ik een eend. Een wilde eend, bedoel ik, niet een gekochte eend. Hij kwam in de zomer onze tuin binnenlopen. Het was een witte eend.

Hij (of zij) ging onder de bladeren van de rabarber zitten die mijn moeder in een hoekje in de tuin had geplant. Rabarber heeft hele grote bladeren, en de eend zat onder het rabarberbladerdak. En bleef daar zitten, hoe wij (mijn zusjes en ik) ook probeerden de eend weer op het tuinpad te krijgen.

Het was gek dat er een eend onze tuin kwam binnenlopen. Er waren wel vijvers in de buurt, maar toch wel een paar straten verder op. Niet om de hoek. Een eend had bij ons in de tuin eigenlijk niets te zoeken. Er was een grasveld, een zandbakje, een schuurtje, een leeg konijnenhok(mijn vader had het konijn vorige kerst aan de buren gegeven) en planten, zoals de rabarber.

We probeerden hem wat brood te geven, richting het tuinpad te lokken, duwen misschien: je raakt een verdwaalde, vreemde, wilde eend niet zomaar aan. ’s Avonds zat hij er nog. Het was inmiddels mijn eend.

Je leest als kind natuurlijk wel over eenden, Donald Duck, of Ernst-Jan en Snabbeltje, een boekenserie over een jongen en een eendje, maar het is toch anders als er echt een eend in je tuin zit, waarvoor je wilt zorgen.

De eend zat er de volgende morgen nog. Onder het rabarberbladerdak. Hij had geen zin in lopen, dat was duidelijk. Soms pikte hij wel met zijn oranje snavel; hij leek zich op zijn rug te willen draaien, maar dat lukte niet goed.

Zodra ik tijd had ging ik even kijken bij de eend. Mijn eend.

Na de derde of vierde dag zei mijn vader: die eend is ziek, we gaan naar de dierenarts.

Mijn vader stopte de eend in een doos en ik mocht mee. De dierenarts pakte de eend uit de doos, vroeg wat aan mijn vader en mij. Hij bekeek het dier wat en draaide het toen op zijn rug, om zijn witte buik goed te bekijken.

Kijk, zei hij, die is ziek, dat komt niet meer goed. Ik zag de witte buik van de eend nu voor het eerst goed. Als je van dichtbij keek, zag je dat er allemaal kleine donkere wormpjes tussen zijn witte veren door krioelden, die uit zijn buik kwamen. Mijn mooie witte eend had een buik als een verrotte appel vol met beestjes.

De eend bleef bij de dierenarts, die een eind aan zijn lijden zou maken. Ik had een eend, maar ik had hem kort.