Tien vergeten dichters terug op het podium

Vanavond worden in De Balie uit het oog geraakte dichters ondervraagd over gesneuveld dichterschap, tussen glorie en vergetelheid. „Dat je helemaal uit beeld raakt en niemand je meer leest.”

Tien jaar geleden, bij de doop van het boek In de schaduw van de Parnassus van Joris van Casteren, schijnt bij sommige bezoekers het angstzweet uitgebroken te zijn. Van Casteren had interviews gehouden met dichters die na een succesvolle periode in de vergetelheid waren geraakt. Onder toeziend oog van nog niet vergeten collega-dichters werden op het podium van Perdu een paar uit het oog geraakte dichters nogmaals geïnterviewd.

„Wat kregen we het benauwd”, zegt dichter Menno Wigman. Hij heeft de avond altijd onthouden. „We zagen ons geconfronteerd met de keerzijde van het schrijven: dat je helemaal uit beeld kunt raken en niemand je meer leest. Dichter Jean-Pierre Rawie, die toch al een lage productie heeft, zei toen dat hij die avond snel naar huis zou gaan om snel nog een gedicht te schrijven.”

Volgens Wigman was het „verschil tussen glorie en vergetelheid” die avond bijna tastbaar. Toen hij stadsdichter van Amsterdam werd wist hij meteen dat hij nog eens zo’n avond wilde laten plaatsvinden. „Ik zal niet zoals mijn voorganger F. Starik 40 of 50 gedichten per jaar schrijven. Maar dit vind ik een aardig initiatief.”

Vanavond vindt opnieuw een avond plaats rond vergeten dichters, in De Balie. Menno Wigman voert samen met Joris van Casteren gesprekken met dichters als de voormalige Maximaal Koos Dalstra, Neeltje van Beveren en de inmiddels 92-jarige Michaël Deak (pseudoniem van Simon Kapteijn) die tien jaar geleden ook voor Van Casterens boek en op het Perdu-podium werd bevraagd.

Deak, die ooit door de Vijftigers werd bespot, is nooit verbitterd geweest over zijn na drie bundels gesneuvelde dichterschap, zo meldt hij aan de telefoon. Hij schuift ook nu, net als tien jaar terug, graag weer aan bij de avond. „Nadat ik vlak na de Tweede Wereldoorlog drie bundels had gepubliceerd, was het vuur gewoon op. Ik had een groot deel van mijn jeugd in een seminarie doorgebracht, waar ik opgeleid werd als priester. Ik vat die tijd altijd samen onder de woorden ‘gemis en gevangenschap’, waarmee ik ook de drijfveer weergeef om poëzie te gaan schrijven. Toen mijn bundels verschenen en ik, inmiddels vrij van het seminarie, in het volle leven belandde, voelde ik geen drang meer om te dichten.”

In 1954 werd er voor het laatst een gedicht van Deak gepubliceerd, toen de uitgever Bert Bakker hem vroeg iets te schrijven voor een tijdschrift. „Ik vond het toen al vreemd dat ik nog niet vergeten was, om eerlijk te zijn.” Daarna werd hij adjunct-hoofdredacteur van het tijdschrift Avenue. Er waren niet veel mensen die wisten dat onder Simon Kapteijn de voormalige dichter Michaël Deak schuilging. „Toen twee van mijn gedichten werden opgenomen in de bekende bloemlezing van Gerrit Komrij, zei Cees Nooteboom, die voor Avenue schreef, verbaasd tegen me: ‘Verrek, jij staat er ook in!’. Dat zegt misschien alles over mijn twee levens.”

Het was natuurlijk moeilijk om dichters te vragen deze avond bij te wonen, zegt Wigman. „Je maakt daarmee duidelijk dat je zo iemand als een vergeten dichter beschouwt.” Maar net als Deak vond ook Koos Dalstra het geen onbehoorlijk verzoek. Wigman: „Hij vond het al zo jammer dat we hem tien jaar terug niet vroegen.” Dalstra schijnt overigens weer flink aan het dichten te zijn geslagen. „Zodat hij op de avond met nieuw werk kan komen.”

‘Vergeten Dichters’. vanavond 20 uur, De Balie, Amsterdam.