...representatief

Met Pierre Audi als leider heeft het Holland Festival een ijzersterk muziektheatraal profiel. Maar Audi ziet het festival juist ook als speeltuin voor zijn brede belangstelling; voor de genres – film en pop onder meer – die hem fascineren maar waarmee hij als regisseur en leider van De Nederlandse Opera niet altijd iets kan aanvangen

De nieuwe muziekprogrammeur Jochem Valkenburg trof bij zijn aantreden uiteraard al een goeddeels ingevuld programma voor deze maand, al komt een veelbelovend onderdeel als het weekend rondom John Cage uit zijn koker. Maar de vraag is hoe groot de individuele inbreng van programmeurs ook op langere termijn eigenlijk is, of beter: kan zijn.

Een festival dat niet rijk is (Avignon, Ruhrtriennale en Wiener Festwochen hebben grotere budgetten) moet slim zijn, zeker bij onder druk staande belangstelling én subsidies voor cultuur. Daarin wortelt ook de enigszins MacDonaldiserende trend die bij alle festivals oprukt: de internationale co-productie. Zo is Lilith van Claron McFadden vanavond al op de Operadagen Rotterdam te horen, ging C(h)oeurs van Alain Platel in Madrid en klonken highlights van het Cage-weekend vorige maand in Keulen.

Maar is dat erg? Voor de toeschouwer telt alleen de kwaliteit van het gebodene, en daarvoor geldt dat meer schouders zwaardere lasten kunnen torsen, om in crisisjargon te blijven. Dat komt de kwaliteit slechts ten goede, al maakt het de uniciteit van al die festivals wel minder.

Wat is nog typisch Holland Festival, vraag je je dan af? Veelzijdigheid, grensverleggendheid? Tsja, welk festival beoogt dat niet? Nee, eigenlijk is het Holland Festival vooral een Hollands Festival: relatief klein, maar sterk in koopmanschap. Met krap vier miljoen subsidie slaagt het er wél in een representatief beeld van de Europese ‘state of the arts’ te schetsen. En ja, veel was al elders te zien. Nou en? Zo blijft het betaalbaar. Het bestaat niet als zodanig, maar eigenlijk is het Europa Festival all around us.

Mischa Spel