Ophouden met die babbelzieke onzinstudies

Bedrijven hebben de grootste moeite om Nederlandse vaklui te vinden. We babbelen liever. Verhoog het collegegeld van onzinstudies, betoogt Ewoud Jansen.

Nederland, kennisland – we kunnen alleen concurrerend blijven via onze hersens, niet met onze handen. Zo veel mogelijk mensen moeten dus naar het hoger onderwijs. De helft van de beroepsbevolking moet op termijn hoger opgeleid zijn.

Kijkend naar dit streefcijfer zijn we goed op weg. Zo’n 45 procent van de 25- tot 35-jarigen heeft een hbo- of universitair diploma, maar wat betreft economische prestaties schieten we er niet veel mee op. Dit is overigens niet zo verwonderlijk. Het merendeel heeft een diploma van een populaire opleiding waar analytisch denken geen rol van betekenis speelt. Bij dit soort opleidingen zijn de criteria waar je werk of je onderbouwing van een mening aan moet voldoen, niet al te duidelijk. Je kunt slagen met het verkopen van vage praatjes.

Luister eens in de trein naar hoe studenten met elkaar praten over al die rapportjes en reflecties die ze moeten maken en waarop ze in ‘tutoruurtjes’ geen enkel zinvol inhoudelijk commentaar krijgen. Het is een onthullend inkijkje in wat ‘studeren’ op veel opleidingen betekent. Die studenten weten ook wel dat het onzin is, maar ja, ze willen toch een diploma. Zo komen we dus aan ons quotum aan hoger opgeleiden.

Het kwantitatieve en analytische denken is in een golf van onderwijsverwoestingen weggevaagd uit het (hoger) onderwijs. Nu die golf is teruggetrokken, ligt er een berg wrakhout die zich lastig laat opruimen. Beroepsopleidingen bevatten nogal wat onzin en bezigheidstherapie. Studenten zijn druk bezig met enneagrammen en ‘Belbinrollen’ en maken kleurrijke mood boards van zichzelf, maar hebben de grootste moeite met het rekenen met procenten.

De laatste jaren zijn er veel opleidingen in de markt gezet die vooral leuk en eigentijds moeten zijn, maar waarvan de toegevoegde waarde voor maatschappij en de afgestudeerde zelf twijfelachtig is. Het zijn vooral gediplomeerden uit dit soort richtingen die moeilijk aan werk komen en terechtkomen in baantjes onder hun opleidingsniveau. Bij de drie werkzoekende afgestudeerden die in deze krant van 26 mei aan het woord kwamen, zat niet één techneut.

De vraag of we kansarme, door de overheid bekostigde opleidingen in de lucht moeten houden, ligt gevoelig, maar is zeer relevant. Al in 2006 stelde The Boston Consulting Group vast dat Nederland een overschot heeft aan hoger opgeleiden.

Het gebrek aan exacte focus in ons onderwijs wordt uiteraard gevoeld in het bedrijfsleven. Een vriendin van mij doet iets ingewikkelds bij een grote bank – iets met risicobeheersing. Hiervoor zijn complexe econometrische modellen nodig. De ontwikkelaars hiervan zijn voornamelijk Aziaten en Oost-Europeanen. Nederlandse afgestudeerden met de vereiste wiskundige kennis zijn nauwelijks te vinden.

Bij het bedrijf dat landbouwmachines maakt dat ik laatst bezocht, komen de ingenieurs niet uit Nederland, maar uit China. Dit is echt niet omdat die Nederlanders te duur zijn. Ze zijn er gewoon niet.

Niet alleen aan hoger opgeleid technisch personeel is een tekort. Bedrijven hebben ook de grootste moeite om gediplomeerde vaklui te vinden die kunnen lassen en frezen. Ze zijn er niet omdat we onszelf en de jeugd hebben wijsgemaakt dat het beter is om ‘iets’ met communicatie te doen dan met een hamer. Zo vloeit bedrijvigheid weg uit ons land en verliezen we aan concurrentiekracht.

Nederland, babbelland – we vergaderen en overleggen, houden trainingen op de hei en formuleren obligate missionstatements. De failliete Amarantis Onderwijsgroep had er ook eentje. Ongetwijfeld was het geformuleerd door een duur, extern bureau.

De toegevoegde waarde van heel veel werk is uiterst gering of volstrekt afwezig. Ons nationaal inkomen bevat heel wat gebakken lucht. Hiertegen helpt geen enkele verhoging van de AOW-leeftijd. Al werken al die babbelkousen tot hun tachtigste door, onze economie schiet er niets mee op. Toegevoegde waarde leveren ze niet.

Het begrip ‘toegevoegde waarde’ moet centraal staan. Het bedrijfsleven en de overheid moeten goederen en diensten voortbrengen waaraan we als inwoner van dit land echt iets hebben of die we kunnen verkopen op de wereldmarkt. Hierop moeten alle activiteiten zijn gericht.

Het onderwijs, en zeker het beroepsonderwijs, speelt hierbij een vitale rol. Er is sprake van een mismatch tussen dat onderwijs en de arbeidsmarkt.

Een betere aansluiting is van groot belang. Vooral is er van hoog tot laag behoefte aan meer technisch gediplomeerden.

Het verlagen van de collegegelden voor dit soort richtingen, zoals de PvdA onlangs heeft voorgesteld, kan een stimulans zijn, maar kost de overheid wel geld. We zouden dus tegelijkertijd de collegegelden moeten verhogen voor de opleidingen die meer lijken te zijn gericht op zelfontplooiing dan dat ze leiden tot kansen op de arbeidsmarkt.

Zelfontplooiing is een groot goed, maar waarom zou de overheid die moeten betalen?

We zijn een beetje verwend geraakt, maar demografische en financiële omstandigheden dwingen ons om – veel kritischer dan we gewend waren – na te denken over waaraan we onze tijd besteden. Laten we dus ophouden met luchtfietserij in het beroeps- en hoger onderwijs en terugkeren naar echte inhoud. Dit is essentieel als we een welvarend land willen blijven.

Ewoud Jansen is econoom en publicist.