Opera oproer uit Madrid

C(h)oeurs, een combinatie van dans en opera, opent op 1 juni het Holland Festival. De Belgische choreograaf Alain Platel noemt het zijn ‘meest confronterende project’.

’S Avonds laat staat bij de artiesteningang van Teatro Real een lange man. Zijn krullenbol is gebogen over het programmaboekje van een vrouw uit het groepje dat hem daar opwachtte. Handtekeningenjagers? Heeft Alain Platel in Madrid de filmsterrenstatus verworven? „Nee, nee”, lacht de 56-jarige choreograaf de volgende dag in de statige foyer van het Madrileense theater. „Ik moet u teleurstellen. Het was familie van een koorlid.”

Het zou misschien ook te mooi zijn geweest als men hem bij de laatste voorstellingen van C(h)oeurs om zijn handtekening bedelde, terwijl het publiek bij de première zijn hoofd op een zilveren schaal eiste. Toen vlogen in het koninklijke theater de programmaboekjes door de lucht, werd geschreeuwd, gefloten en met deuren gesmeten. Platel had zich vrijheden veroorloofd met operaheiligen Verdi en Wagner, en ‘lelijke’ dans gepresenteerd vol menselijke ontreddering. Daar waren de Madrileense abonnementhouders niet van gediend.

C(h)oeurs (koren/harten) is een project van Platels Les Ballets C. de la B. en het operagezelschap van het Teatro Real. Een megaproject, met een koor van ruim zeventig zangers, een volledig orkest en tien dansers van Platel. Niet alleen daardoor was het productieproces ingewikkeld: om te kunnen werken op de manier die hij gewoon is – langzaam en doordacht, zorgvuldig ‘dialogerend’ met zijn medewerkers – is het stuk gecreëerd in Gent, de thuisbasis van Platel. Een groep lokale vrijwilligers fungeerde tijdens het repetitieproces als koor. Na maanden werken in de luwte moest een en ander in negen dagen op het Spaanse koor worden ‘gezet’. Platels vrees voor weerstand bij de koorleden was ongegrond. „Er waren magische momenten”, aldus de choreograaf. „Iedereen had het gevoel dat er iets gebeurde wat ze nog nooit hadden meegemaakt.”

Waardoor raakten de gemoederen bij de eerste voorstellingen zo verhit? Ging het om het feit dat Platel onbekommerd beroemde koorwerken van Verdi en Wagner in een collage achter elkaar plakte? Waren het de verwijzingen naar de actualiteit, de protestslogans, de belerende teksten van Marguerite Duras of de danstaal die Platel de laatste jaren ontwikkelde met een vaste kern dansers: verkrampt en verwrongen, spasmodisch, amechtig, hypersensitief – het tegenovergestelde van wat volgens velen dans tot dans maakt:,elegantie en evidente virtuositeit?

De Spaanse critici schreven vernietigend of badinerend over de voorstelling. Bijvoorbeeld over het openingsbeeld, waarin een danser sidderend, naakt en eenzaam op het toneel staat, terwijl het ruim zeventigkoppige koor langzaam achter hem opdoemt. Hun stormachtige zang, het ‘Dies Irae’ uit Verdi’s Missa di Requiem, rolt als een vloedgolf over het toneel, stort de zaal in – het lijkt een wonder dat die fragiele eenling overeind blijft.

Precies in dat beeld is de betekenis van de voorstelling samengebald, zegt Platel. C(h)oeurs is de ultieme confrontatie tussen individu en massa. Die spanning vormt het centrale thema van Platels oeuvre, waarin vaak hedendaagse dans wordt gecombineerd met bewerkte klassieke muziek. La Tristeza Complice (1995) werd gezet op Purcell, bewerkt voor tien accordeons, in Wolf (2003) klonk Mozart in diverse stijlen, Monteverdi werd in VSPRS (2006) tot jazz bewerkt en zelfs de onaantastbare Bach, nota bene zijn Matthäus Passion, kreeg in Pitié! (2008) een hedendaags arrangement.

Hondjes

Twee weken na de première is Platel bijgekomen van de schrik. Wijzend naar het keurige park voor het theater, en met een knikje naar de hond aan zijn voeten (Flint is een ‘leftover’ van zijn Mozart-voorstelling Wolf) vertelt hij: „Door hem ben ik verplicht veel buiten te komen. In dit parkje ontmoet ik alle dagen oudere, welgestelde dames met hun hondjes. Zij zijn ontzettend vriendelijk tegen mij, maar sommigen herken ik als degenen die in het theater hun programma’s verscheurden...”

Was de opschudding niet een beetje de bedoeling van Platel en zijn opdrachtgever Gerard Mortier? Mortier, die in 2010 tot intendant van Teatro Real werd benoemd, kreeg immers de uitdrukkelijke opdracht mee de programmering een opfrisbeurt te geven en een jonger publiek te interesseren? „Nee, nee, nee. Ik maak geen theater om te choqueren. Het heeft mij gekwetst dat men zo boos en agressief reageerde.” Maar, erkent hij, Teatro Real is wel de perfecte plaats voor een dergelijke voorstelling. Op een modieus-alternatieve, industriële locatie zou de impact nooit zo groot zijn geweest.

Van huis uit heeft Platel weinig met opera. Maar Mortiers voorstel – al uit 2007, toen de succesvolle opera- en festivalintendant nog in dienst was van de New York City Opera – om iets met Verdi te doen, viel mooi samen met Platels wens een stuk te maken waarin het koor een hoofdrol zou spelen. „Het koor als protagonist, dat zou de thematiek van individu versus groep op scherp stellen.”

Aanvankelijk kwamen zijn ideeën voor C(h)oeurs vanuit de esthetiek, maar de ontwikkelingen op het wereldtoneel, waar de Arabische Lente uitbrak, de Occupy-beweging opkwam en de Indignados de pleinen in Madrid bezetten, maakten een ‘politieker’ benadering onontkoombaar. En niet onlogisch: Verdi en ook Wagner (tot Platels schrik door Mortier als tweede korencomponist aangedragen) vertegenwoordigden in hun tijd immers de gevoelens van het Italiaanse en Duitse volk, hunkerend naar een andere politieke en maatschappelijke orde. „In hun jonge jaren hadden zij utopische, zelfs linkse gedachten over de manier waarop je mensen bij elkaar kunt brengen voor een hoger doel. Later is dat verschoven naar een ander soort radicalisme, met name bij Wagner. Maar ik had geen zin om met hakenkruisen te gaan zwaaien; het is te simpel om Wagner voor te stellen als fascist.”

Bart De Wever

Voor de goede verstaander zijn wel verwijzingen naar de pompeuze, verontrustende massataferelen uit de nazitijd te herkennen. Bijvoorbeeld als het ‘Heil König Heinrich’ uit Lohengrin met veel schallend koper wordt ingezet. Enorme lichtbakken dalen neer, decor stijgt op, het koor zingt op vol volume vanaf de balkons, over de hoofden van het publiek, naar een schuchter over zijn schouder kijkende, ineengedoken figuur op het grote toneel. Het is, aldus Platel, „een soort Star Wars. We gaan daar voluit voor het effect.” Ook klinkt, vlak na Verdi’s Va Pensiero, het ‘officieuze volkslied’ van Italië, heel even de stem van de Vlaamse nationalist Bart De Wever.

Platel liet zich voor C(h)oeurs onder meer inspireren door een roman van Jonathan Littell, De Welwillenden, waarin een typische vertegenwoordiger van de eeuwenoude hoge, Duitse beschaving verstrikt raakt in en onderdeel wordt van het nazisysteem. Het boek is één grote vraag naar de individuele verantwoordelijkheid binnen het collectief. Platel stelt ook de verantwoordelijkheid van de massa ten aanzien van het individu aan de orde: is er plaats voor het afwijkende, de andere, de zwakkere? ‘De revolutie vreet haar eigen kinderen op’, staat op een van de borden die door een protesterende massa worden meegedragen. Omhoog getild door vele handen maken de slappe lichaampjes van twee kleine jongens de ronde over het toneel. De verhouding tussen de tien dansers, symbolen voor de individualiteit, en het koor verschuift telkens: soms maakt de massa ruimte voor de tien bundeltjes vlees geworden emotie, vaak ook staat het tegenover hen, als een afwijzend blok, een ongenaakbare mensenmuur. In de slotscène, op de ‘Prelude’ van Verdi’s La Traviata, ontdoen sommige zangers zich van hun kleding, solidair met die kwetsbare outsiders. Op de wegstervende muziek is de hartenklop van de massa te zien; een ritmisch pom-pom van tientallen handen. Bloedrode handen – kleeft er bloed aan?

Regelmatig heeft Platel zich overweldigd gevoeld door de massaliteit van het project. „Dit is het meest confronterende project van mijn loopbaan geweest. Letterlijk confronterend, tegenover een groep van een dergelijke omvang: ik moest telkens zorgvuldig mijn positie bepalen. Als regisseur heb je macht, en wat ik vraag gaat best ver. Hoe ver mag je daarin gaan? Anderzijds: tegenover 72 mensen ben ik nietig. Als zij beslissen iets niet te doen, dan heb ik daar geen verhaal tegenover. Dat is heel stresserend.”

Die angstig omkijkende danser (de fenomenale Romeu Runa) in de Heil König-scène mag dus zonder meer worden geïnterpreteerd als Platels alter ego. „Absoluut. Sowieso is Romeu een beetje mijn fetisj. Hij vertegenwoordigt voor mij alles wat je via de dans kunt uitdrukken.” Runa heeft sinds Pitié! (2008) een prominente plaats in de producties van Platel. Was zijn werk voorheen eclectisch en bood het plaats aan amateurdansers, hiphoppers, acrobaten en straatartiesten, de laatste jaren is met een min of meer vaste kern technisch sterke dansers een eigen bewegingstaal ontwikkeld, van menselijk lijden. „Sinds VSPRS zijn we aan het uitdiepen wat wij representatief vinden voor het uiten van gevoelens die hopelijk universeel zijn, maar in vorm heel specifiek. Die taal ontwikkelen en duwen we steeds verder. We plaatsen haar tegenover andere dingen, nu tegenover een gigantisch koor, andere muziek, een andere cultuur. In Out of Context hebben we haar op zichzelf laten bestaan.”

Die voorstelling droeg Platel in 2010 op aan de een jaar eerder overleden Pina Bausch, grondlegster van het neo-expressionistische Tanztheater. De Vlaamse choreograaf is een van haar meest prominente artistieke nakomelingen. Hij wordt dan ook met enige regelmaat benaderd door de huidige artistieke leiding van Bausch’ Tanztheater Wuppertal. Of hij een voorstelling bij hen wil komen maken. Maar na de krachttoer die C(h)oeurs geestelijk voor hem is geweest, wil Platel voorlopig, en misschien wel heel lang, helemaal niets. Met zelfspot: „Maar ik zal niet meer zeggen dat ik ermee stop, zoals ik tien jaar geleden deed.”

Ook al heeft C(h)oeurs hem op de rand van overspannenheid gebracht, hij geniet van elke uitvoering. Hij verheugt zich dan ook op het Holland Festival. Theater Carré is bekend terrein voor Platel.

„We hebben er al eerder gespeeld en ik kom er heel graag. Het was voor mij een ontdekking... Ik wist niet...” Hij begint enigszins gegeneerd te stamelen. „Ik vond het zo ontroerend me deel te voelen... Hier heeft ook Herman van Veen gestaan! Mijn jeugdidool!” In de lege foyer van het Spaanse theater galmt zijn lach nog even na.

C(h)oeurs van Les Ballets C. de la B. en Teatro Real Madrid: 1 t/m 4 juni, Theater Carré.