Moeilijke moeders

Op het feest van een jubilerend familielid kwam opeens een oud, bijna vergeten fotoboek op tafel. Zwart-witfoto’s uit de vroege jaren zestig. Eén van die foto’s trof mij in het bijzonder.

De jubilaris, toen een man van vijfentwintig, had een belangrijke stap in zijn leven gezet en werd daarmee gefeliciteerd door zijn ouders. De fotograaf portretteert moeder en zoon terwijl ze elkaar in innige blijdschap aankijken, de vader staat iets terzijde en beziet verheugd zijn vrouw. Er sprak een intense verstandhouding uit die foto. De ouders hadden hoge verwachtingen van hun talentvolle zoon gehad en hij had die niet beschaamd.

Het tafereel raakte me ook omdat ik net bij twee prominente schrijvers, de Fransman Michel Houellebecq en de Amerikaan Paul Auster, had gelezen dat het ook heel anders kan toegaan tussen moeder en zoon. Vier jaar geleden publiceerde Houellebecq met de filosoof Bernard-Henri Lévy een interessant brievenboek: Ennemis publics (Publieke vijanden). De heren schreven elkaar brieven over literatuur, levensbeschouwing en persoonlijke herinneringen.

Hun aanvankelijk cerebrale briefwisseling krijgt een emotionele lading als de moeder van Houellebecq, Lucie Ceccaldi, ter sprake komt. Lévy heeft in de krant een ‘waanzinnig’ artikel gelezen over het boek dat zij over haar zoon wil publiceren. Zij zal hem daarin een leugenaar en een bedrieger noemen.

Houellebecq reageert verwond. Hij constateert dat hij haar „hooguit een keer of vijftien” heeft gezien en dat hij zijn gelukkige kinderjaren te danken heeft aan zijn grootmoeder die hem opving.

Maar hij stelt ook vast dat zo’n weggelopen moeder een definitief stempel op je leven drukt: „Je beschouwt liefde nooit als een vanzelfsprekendheid; kort gezegd, je kunt er tot het einde toe moeilijk in geloven. Je blijft tot het einde toe een soort schuw kind: nooit helemaal rustig, nooit helemaal getemd; altijd klaar om te bijten.” (Vertaling Martin de Haan en Rokus Hofstede.)

Paul Auster publiceerde onlangs Winter Journal (Winterlogboek in de vertaling van Ronald Vlek), het persoonlijkste boek uit zijn grote oeuvre. De dood van zijn moeder in 2002 zette hem aan het denken. Waarom kon hij niet echt om haar rouwen? Voor hem als jongen was ze een ‘goede en gewetensvolle moeder’ geweest, maar de zwakke kanten van haar karakter werden bij het ouder worden steeds manifester, vooral na de dood van haar tweede man.

„Haar hart bleef nog twintig jaar kloppen, maar je stiefvaders dood was voor haar het einde, en ze heeft haar evenwicht daarna nooit meer hervonden. Stukje bij beetje veranderde haar verdriet in een soort wrok (Hoe durft hij dood te gaan en mij alleen te laten?)….” Ze vereenzaamde, werd financieel afhankelijk van haar zoon, dreigde dat „ze zich misschien maar van kant moest maken om je niet meer zo tot last te zijn.”

Auster schreef het met compassie op, maar je voelt onder elke alinea de machteloze frustratie over de trieste manier waarop de ouderdom van zijn moeder zich voltrok. Bij hem geen bitterheid als bij Houellebecq, eerder diepe teleurstelling.

Moeilijke moeders – misschien is het een goed thema voor een bloemlezing met de schrijnendste, maar soms ook meest hilarische verhalen uit de literatuur. De Alexander Portnoy van Philip Roth mag dan niet ontbreken met zijn uitroep: „Omdat die kloterige Joodse rotmoeders te kloterig zijn om nog langer te verdragen!”