Langverwacht, maar rommelig

Wat betreft de AOW zijn het de vakbondbestuurders die zich opwinden over de gevolgen van het Lenteakkoord. Deel 3 van een korte serie.

Door het Lenteakkoord gaat Herman Hartsink in 2014 twee maanden later met pensioen. Hij heeft gespaard om dat op te vangen. Foto Roger Cremers

Als pensioenadviseur Theo Gommer eerlijk is dan kan hij bij zijn klanten nog geen opwinding ontdekken over de snelle verhoging van de pensioenleeftijd. „De meeste mensen zagen dit wel aankomen. Ze denken: het valt ons nog mee. En dat is ook zo natuurlijk. Als je nu 64 bent, moet je volgend jaar één maand langer werken. Wat is het probleem?” Ook bij de 400 leden van de Nederlandse Orde van Pensioendeskundigen waar Gommer voorzitter van is, is ophef nagenoeg afwezig.

En dat terwijl dankzij het Lenteakkoord de pensioenleeftijd volgend jaar al omhoog gaat, en de Kunduz-coalitie allerlei verzachtende maatregelen schrapt voor oudere werknemers. Deze maatregelen raken alle bijna-gepensioneerden direct. Zo verdwijnt bijvoorbeeld de doorwerkbonus voor ouderen. Ook zijn er vutters die 1 of 2 maanden zonder inkomen dreigen te komen zitten. Wie in 2014 of 2015 65 jaar wordt, en nu met vroegpensioen of vut is, kampt namelijk met een gat tussen het einde van de vut en het begin van staatspensioen AOW.

Het Lenteakkoord biedt deze groep de mogelijkheid geld te lenen, dat vervolgens binnen 1,5 jaar moet zijn terugbetaald. Pensioenfondsen zinnen ook al op oplossingen. Zo wil Zorg en Welzijn het pensioen van deelnemers een maand eerder laten ingaan. Dat betekent wel een iets kleiner pensioen, maar dat gaat om een paar euro, denkt een woordvoerder van Zorg en Welzijn.

Volgens pensioenadviseur Gommer, die vooral bedrijven en ondernemingsraden over pensioenkwesties adviseert, zijn de enigen die zich opwinden over het Lenteakkoord de vakbondsbestuurders. Die schreeuwen moord en brand, vooral omdat zij nou juist in het Pensioenakkoord van 2011 een latere verhoging van de pensioenleeftijd bedongen: in één keer naar 66 in 2020.

Wat dat betreft is het Lenteakkoord een stuk eerlijker, vindt pen-sioendeskundige Marc Heemskerk van Mercer. „In het oude akkoord bleef één generatie buiten schot.” De geleidelijke verhoging van de pensioenleeftijd met een maand per jaar, en daarna met twee maanden per jaar, zorgt ervoor dat iedereen getroffen wordt. Het is niet één groep die de volle mep krijgt en een jaar langer moet doorwerken. Terwijl mensen die een maand ouder zijn niks merken. Dat soort brute breuken met het verleden kunnen zelfs depressies veroorzaken, ontdekte Andries de Grip, hoogleraar en directeur van ROA, universitair onderzoeksbureau voor de arbeidsmarkt. Hij onderzocht werknemers die zijn geboren in 1950, de eerste groep die alle rechten op de vut verloor, terwijl mensen geboren in 1949 volledig recht op de vut behielden. „Onder die groep uit 1950 komen depressies significant vaker voor. Het voelt oneerlijk, zo’n breuk.”

Toch is De Grip niet enthousiast over het Lenteakkoord. Hij noemt het zelfs pijnlijk dat de politiek zo slordig en veranderlijk omgaat met het staatspensioen AOW en andere regelingen voor oudere werknemers en gepensioneerden. „De doorwerkbonus was net ingevoerd, en nu wordt die alweer geschrapt. Dit is veel te rommelig. Mensen hebben geen idee meer hoe ze ervoor staan.”

Ook hoogleraar en pensioendeskundige Lans Bovenberg is niet blij met het Lenteakkoord, al is hij een groot voorstander van een verhoging van de pensioenleeftijd. Zijn klacht: het Lenteakkoord concentreert zich louter op de AOW, maar laat de aanvullende pensioenen met rust. Bovenberg: „De prijs zal daarom vooral betaald worden door mensen met lage inkomens, die leunen op de AOW. Zij moeten later met pensioen. Mensen met goede aanvullende pensioenen kunnen wel eerder stoppen.” Dat komt omdat hun aanvullende pensioen groot genoeg is om zich niks aan te trekken van de verhoging van de AOW.

De werkende 50-plusser met een laag inkomen betaalt volgens Bovenberg dus de rekening. Wel ontziet het Lenteakkoord gepensioneerden met louter AOW. Hun koopkracht gaat er zelfs op vooruit, zo voorspelt het ministerie van Financiën. Dat komt door de verlaging van de belastingtarieven voor lage inkomens. De koopkracht van gepensioneerden met aanvullend pensioen (van 10.000 euro per jaar) daalt daarentegen met 3,5 procent. Die grote koopkrachtdaling komt volgens Wouter Koolmees, D66-Kamerlid en mede-architect van het akkoord, louter door de kortingen die pensioenfondsen voor 2013 hebben aangekondigd.