Langer leven, lager pensioen

De pensioenplannen van minister Kamp (Sociale Zaken, VVD) bevatten een term die van de laatste jaren is en te breed voor Scrabble of Wordfeud: ‘levensverwachtingsaanpassingsmechanisme’, kortweg LAM genoemd. Het langgerekte woord illustreert een van de ‘problemen’ waarmee pensioenfondsen te kampen hebben. Hun deelnemers worden, net als de andere Nederlanders, gemiddeld steeds ouder en die stijging van de levensverwachting gaat sneller dan voorzien. Dat betekent: langer doorbetalen van het aanvullende pensioen.

Pensioenen zijn een afspraak tussen de sociale partners. Maar de wettelijke en fiscale begrenzingen ervan zijn een bevoegdheid van de minister en het parlement. Kamp heeft gisteren een notitie naar de Tweede Kamer gestuurd met voorstellen die hij in wetgeving wil omzetten. Zo krijgen de fondsen van hem de keuze zichzelf te verplichten rekening te houden met de stijgende levensverwachting, of dat als een optie te beschouwen.

De ene situatie brengt hogere verplichtingen en hogere premies met zich mee. De andere vergroot de kans op pensioenen die niet met de inflatie mee kunnen stijgen.

In het Pensioenakkoord dat de minister in twee fases, 2010 en 2011, met werkgevers en vakbonden sloot, zat al de aankondiging van een systeem dat voor meer stabiliteit moest zorgen. Het veelgeprezen Nederlandse pensioenstelsel is niet crisisbestendig gebleken. Dat is de laatste jaren duidelijk tot uitdrukking gebracht in de te lage dekkingsgraden bij de fondsen. Daardoor werden pensioenen niet geïndexeerd of dreigden te worden verlaagd. Vooral de lage rente, de tegenvallende beursopbrengsten en de stijgende levensverwachting waren er debet aan. Net als de vergrijzing, maar die kon moeilijk als een verrassing worden gezien.

Een van de meest effectieve maatregelen om de financiële problemen van de pensioenfondsen te verlichten, staat in het Lenteakkoord van kabinet en Tweede Kamer: de versnelde verhoging van de pensioenleeftijd. Kamp beoogt verder de fondsen in rustiger vaarwater te manoeuvreren door uit te gaan van een iets gunstigere rente en door de dekkingsgraad over een langere periode te berekenen.

Dat de berekening van (toekomstige) pensioenen zo minder dagkoersgevoelig wordt, is meegenomen. Maar pensioenfondsen opereren in een financiële omgeving die volatiel is. Meer dan van het nieuwe toetsingskader waar de politiek aan werkt, ondervinden zij de invloed van de crisis, van de gevolgen ervan en de maatregelen ertegen. Pensioenafspraken zijn geen beloftes met een gegarandeerde uitkomst, welke wettelijke regels er ook zijn. Het is het beste dat pensioenfondsen daar zo helder mogelijk over zijn. En dat huidige en toekomstige gepensioneerden geen zekerheden voorzien die er niet zijn.