De Bovenbazen (20)

Na de maaltijd begaf heer Bommel zich naar buiten om rustig na te kunnen denken in de stilte der natuur. De schemering viel reeds en een zacht briesje verkoelde zijn slapen.

Het is toch prettig om een heer te zijn, zo dacht hij. Hier ga ik nu, onopvallend en bescheiden. En toch ga ik veel goede en mooie dingen doen… Er verscheen een zorgelijk trekje op zijn gelaat.

‘Kijk,’ mompelde hij, ‘dat is nu gemakkelijk gezegd. Maar wát ga ik eigenlijk met die ddt doen? Hm, ik zou natuurlijk… nee, wacht, als ik nu eens… eh… of toch niet?’ Zo peinzende bereikte de bezige zakenman het Donkere Bomen Bos en daar viel zijn blik op een klein ventje dat somber over een plant gebogen stond.

‘Goede avond,’ sprak hij minzaam. ‘Wil het gewas niet rijzen? Ach ja, soms denkt men wel eens dat men als bovenbaas alleen staat met de moeilijkheden. Maar dan is het troostrijk om op te merken dat ook een eenvoudige landman zijn zorgen heeft.’

‘Ik ben geen eenvoudig landman,’ zei het mannetje bits. ‘Ik ben Pee Pastinakel en ik hoor de planten groeien.’

‘Wat aardig,’ hernam heer Ollie, een weinig uit het veld geslagen. ‘Is dat een mooi geluid?’

‘Dat hangt er van af,’ zei Pastinakel. ‘Soms klinkt het als honing en soms meer als fuskus. Maar dit is een boze zomer. Ik hoor niets!’

‘Ik ook niet,’ prevelde heer Bommel, opmerkzaam luisterend. ‘Hoe komt dat?’

‘Dat komt van de gele nerfknager!’ riep het ventje boos.