D66, voor tevreden kiezers

Er is een nieuw taboe. Boosheid. Boosheid begint exotisch te worden. Je ziet het aan de blikken van het studiopubliek bij De Wereld Draait Door, als Jan Mulder loos gaat. Alsof ze in Artis een beer zien masturberen. Ze willen wegkijken, maar het lukt niet. Gêne en fascinatie vechten om voorrang. Als Jan Mulder met pensioen gaat, zal op de Nederlandse televisie geen boosheid meer zijn.

De grote naoorlogse komieken – vulkanen van boosheid. Archie Bunker was de laatste. Rijk de Gooyer in Tot de dood ons scheidt, van Norman Lear, de man die ook Archie Bunker creëerde. „Hij kan heel mooi boos worden”, zei men dan, een uitdrukking die je zelden nog hoort. De boosheid is geen deugd meer, boosheid is iets voor de kleine man, en wie wil er nog een kleine man zijn? Boosheid is zielig. Don’t get mad, get even, zeggen de Amerikanen. Dat ‘korte lontje’ waar zo veel mensen last van hebben, is een gevolg van dit taboe. Gezonde boosheid wordt opgekropt en baant zich een uitweg, als razernij. Zinloos geweld, road rage, dat lontje – herstel de gezonde boosheid in ere en ik voorspel u, ze verdwijnen.

Ook in de politiek is boosheid bad form geworden. Mediatrainers bestrijden haar te vuur en te zwaard. Televisie is een samenzwering van gezelligheid, dus de televisiekijker houdt ook niet van boosheid. De enige Nederlandse politicus zonder angst voor boosheid is SP-voorzitter Jan Marijnissen. We accepteren het, want hij heeft natuurlijk veel geleden vroeger, als kansarme.

Je hoort het aan de manier waarop D66-leider Alexander Pechtold het woord ‘boos’ uitspreekt. Hij spuugt het uit, als iets wat niet thuishoort in zijn mond. „Gaan we vooruit, of gaan we boze kiezers naar de mond praten?”, is de oneliner waarmee hij het Kunduzakkoord verkoopt. Twee elementen: de „boze kiezer” en „naar de mond praten”. Wat zou Pechtold bedoelen met „naar de mond praten”? Praat Oxfam Novib hongerige Afrikanen naar de mond? Nee, Oxfam Novib constateert honger in Afrika en probeert daar iets aan te doen. Praat de Hartstichting hartpatiënten naar de mond? Is ‘naar de mond praten’ niet gewoon hetzelfde als het ‘vertolken van opvattingen’ en/of ‘het behartigen van belangen’ – zoals elke politicus doet? Is ‘naar de mond praten’ niet gewoon een pejoratief, een malfemisme van ‘vertegenwoordigen’?

Of wil Pechtold ons doen geloven dat hij alles wat hij beweert zelf bedacht heeft? Zulke mensen kom je weleens tegen in de stad. In Amsterdam is het Spui er vanouds een plek voor: ze zijn ongeschoren, iets warm gekleed vaak en omgeven door een lijflucht. Uit de zak van hun rafelige jas komt een zelfgedrukt manuscript, vol formules en diagrammen. Ze hebben het wereldraadsel opgelost. Helemaal alleen. Niets, maar dan ook niets wat daar staat, is ooit eerder beweerd. Ze praten niemand naar de mond. Ze krijgen een euro als ze weggaan. Als Alexander Pechtold niemand ‘naar de mond praat’, ziet het er op 12 september slecht voor hem uit!

Als ‘naar de mond praten’ hetzelfde is als ‘vertegenwoordigen’, dan zegt Pechtold dus dat je wel kiezers naar de mond mag praten, maar geen boze. Je moet als politicus wel luisteren, maar alleen naar mensen die tevreden zijn. Pechtold verruimt het cordon sanitaire dat hij rond de PVV heeft opgetrokken tot alle politici met boze kiezers. Boosheid is taboe, mensen die boos zijn moeten eerst hun boosheid onderdrukken, en dan mogen ze meepraten. Een voorbeeldig staaltje omgekeerd populisme.

‘De basis van politieke vriendschappen wordt meestal gevormd door een gemeenschappelijke haat”, zei de Franse filosoof Alexis de Toqueville. De één haat kapitalisten, de ander juist socialisten. Het organiseren van die hatreds is de essentie van politiek, schreef de Amerikaanse essayist Henry Adams. De moderne politicus miskent die taakopvatting.