Column

Gulpverleners

De Olympische Spelen zijn bijna voorbij en eerlijk gezegd vind ik dat best jammer. Dat kijken naar schaatsers is een lekkere dagbesteding. En zeg nou niet dat ik er alle tijd voor heb omdat ik een goedverdienende zzp-er ben, want al mijn zogenaamd hardwerkende vrienden en kennissen met drukke kantoorbaantjes hebben meer gezien dan ik. Op hun iPad, hun laptop, hun telefoon of weet ik veel wat voor apparaat. Geen idee wie er afgelopen weken gewoon gewerkt hebben, maar ik ken ze niet. Iedereen zat voor een scherm. En na afloop lekker napraten met de good old Mart en die aardige jongens van Bureau Sport. Of nog een beetje lezen over een oud matchfixingschandaaltje rond een Franse achtervolgingsploeg. Jongens die zelf nog niet eens hun Friese doorlopers konden onderbinden. En het was natuurlijk heerlijk om allerlei Friese opa’s en oma’s zenuwachtig te zien krijsen voor hun tv omdat een kleinkind goud haalde.

Ik was wel toe aan iets positiefs. Iets met goud en succes als tegenhanger van die smerige Oxfam-affaire in Haïti. Die seksfeestjes met de kindhoertjes. Die zijn namelijk het lekkerst. En die kinderen konden na de verwoestende aardbeving wel wat warmte en aandacht gebruiken. Inmiddels zijn er meer hulporganisaties in opspraak. Artsen zonder grenzen is in dit geval een voor de hand liggende woordspeling. De slechte grap Het Rode Kruis durf ik niet te maken.

De seksfeesten waren georganiseerd. Dus het was niet één gefrustreerde viespeuk die in zijn uppie aan kleine meisjes ging wriemelen, maar ze waren met een clubje volwassenen, mannen uiteraard. Een meneer regelde drank, een andere de muziek en die ene impotente dikzak regelde bij een plaatselijke pooier een paar kilo ondervoede bakvissen.

Rechts krijst nu dat we onmiddellijk moeten stoppen met het subsidiëren van dit soort smeerlappen, maar ik denk net als Dolf Jansen dat die organisaties zelf schoon schip moeten maken. Opzouten met die viespeuken, maar niet die arme hongermensen de dupe laten worden van ons troosteloze westerse erectiegedrag.

Daarom vond ik dat vrolijke schaatsen zo heerlijk. Even de zinnen verzetten. Held Nuis en zijn kompanen. Heb uitzinnige schaatsmeiden op een bar of een tafel zien dansen. Gewoon dronken dansen. Zonder een hongerige toyboy tussen de benen!

Of ik zat te roken voor de televisie? Nee. Ook niet als het spannend werd? Nee! Roken is voor losers en doe ik al dertig jaar niet meer. Ooit wel, meer dan twee pakjes Gauloises per dag. Verslaafd gemaakt op mijn dertiende. Zeer bewust door de tabaksindustrie, waar ze alles aan de sigaretten toevoegen om je zo snel mogelijk afhankelijk te maken. Ik was toen een hele gemakkelijke klant. Veel verslavingsgevoeliger dan deze eeuwige puber krijgt men ze niet meer.

Afgelopen maand was ik regelmatig op ziekenbezoek bij een vriendin op de longafdeling van een regionaal ziekenhuis. Als je van roestig rochelen houdt moet je daar een kwartiertje over de gang lopen. Vijfennegentig procent van die patiënten rookte en gaat binnenkort gruwelijk dood. Mijn vriendin hoort bij de vijf procent en gaat het redden.

Vanuit haar kamer keek ik vol verbazing op het glazen rokershok op het parkeerterrein van het ziekenhuis. Daar zaten allerhande kneuzen fanatiek te inhaleren. Af en toe ging er zelfs een witte jas naast zo’n kale chemoknar zitten en die stak er ook een op. Op mijn autoradio hoorde ik later het nieuws over de strijd van advocaat Bénédicte Ficq en de longartsen Wanda de Kanter en Pauline Dekker, die de tabaksindustrie van moord en doodslag beschuldigen. In het geval van het verslaafd maken van de pubers hebben ze zeker gelijk. Het zijn gewoon moordenaars.

Gelukkig kwam er alweer heel gauw een gouden plak. Daar was ik aan toe. Genoeg gekankerd de laatste tijd.

En nu? Na de gouden regen nog een weekje stevige vorst zodat het hele land uitbundig het natuurijs op kan en die wintersporters in de Alpen kreunen van de heimwee. Als zij over een week terugkomen gaat het dooien. Als dat geen humor is?