'20 procent heeft hooikoorts en dat stijgt drastisch'

De aanleiding

„Hooikoorts bereikt hoogtepunt”, stond op de voorpagina van gratis dagblad Spits op woensdag 23 mei. Het betrof een paginagrote advertentie van zakdoekjesproducent Kleenex. „Eén op de vijf mensen heeft last van hooikoorts en dat aantal groeit drastisch”, waarschuwde een begeleidende tekst. „Men spreekt zelfs van een verdubbeling in de laatste 10-15 jaar.” De redactie van next.checkt zoekt uit: klopt dit?

Waar is het op gebaseerd?

Volgens een woordvoerder van Kleenex zijn de uitspraken gebaseerd op eigen onderzoek, in samenwerking met de University of Worcester, dat „uitsluitend voor intern gebruik is” en niet kan worden gedeeld. Het zou een Europees onderzoek zijn waaruit een stijging van het aantal hooikoortspatiënten met 5 tot 7 procent per jaar zou blijken. Voor de Nederlandse cijfers heeft Kleenex ook een tweetal andere bronnen geraadpleegd: een persbericht van Gezondheidsnet.nl en een persbericht van Biohorma, fabrikant van homeopathische geneesmiddelen.

In het artikel van Gezondheidsnet.nl wordt, net als in de advertentie, gesteld dat 20 procent van de Nederlanders last heeft van hooikoorts en dat het „een groot, groeiend probleem” is. Als bron worden de Europese Academie van Allergieën (EAACI) en Allergie-site.nl genoemd. Die laatste bestaat niet langer, en een woordvoerder van het EAACI zegt het cijfer niet te herkennen. Het persbericht van Biohorma spreekt van een stijging van het aantal hooikoortspatiënten in Nederland van 5 procent in 1980 naar 15 procent in 2010. Bron is volgens een woordvoerder het KNMI. Maar het KNMI zegt geen hooikoortscijfers te hebben.

Interpretaties

De medische term voor hooikoorts is ‘seizoensgebonden allergische rhinitis’: een allergische reactie op grassen, pollen en stuifmeel die typisch voorkomt in de lente en vroege zomer. Die reactie moet worden onderscheiden van op hooikoorts lijkende klachten die het hele jaar door voorkomen: dan spreekt men niet van hooikoorts maar van ‘hyperreactieve rhinitis’, waartoe ook allergie voor huisstofmijt wordt gerekend.

En, klopt het?

De bewering van Kleenex is tweeledig. Ten eerste: één op de vijf Nederlanders heeft last van hooikoorts, en ten tweede: dat aantal groeit drastisch (en is misschien zelfs „verdubbeld in de afgelopen 10-15 jaar”). Het blijkt echter bijzonder lastig om een schatting te maken van het aantal mensen met hooikoorts. Niemand houdt het bij. Want de klachten zijn seizoensgebonden, variëren per jaar, doktersbezoek is vaak niet nodig en medicatie zonder recept verkrijgbaar.

Het Nationaal Kompas Volksgezondheid van het RIVM schat „op basis van bevolkingsonderzoek” dat ongeveer eenderde van de Nederlandse bevolking last heeft van een neusallergie, maar daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen hooikoorts en andere vormen. Dat biedt dus geen uitsluitsel. De World Allergy Organization heeft in 2011 een schatting gepubliceerd voor Finland, waar hooikoorts inderdaad onder 20 procent van de bevolking zou voorkomen, maar dat kan in Nederland best anders zijn. In een internationaal onderzoek National prevalance of respiratory allergic disorders (gepubliceerd in Respiratory Medicine in 2004 werd ook gekeken naar Nederland: 24,2 procent heeft een ‘ademhalingsallergie’, maar welk aandeel hooikoorts daarin had is niet apart bekeken.

In Nederland verzamelt de Continue Morbiditeitsregistratie (CMR) in Nijmegen sinds 1985 door huisartsen gediagnosticeerde gevallen van hooikoorts. Die bieden echter weer geen uitsluitsel over prevalentie onder de gehele bevolking, omdat lang niet iedereen de huisarts bezoekt vanwege hooikoortsklachten.

Het is al met al niet mogelijk om de prevalentie van hooikoorts in Nederland te bepalen. In hoeverre de uitspraak „één op de vijf” klopt, hoewel niet per definitie onwaarschijnlijk, is niet met zekerheid te zeggen. De bronnen waar Kleenex zich op zegt te baseren zijn niet controleerbaar.

Wel kan worden gekeken of het aantal diagnoses van hooikoorts toeneemt. De CMR rapporteert een stijging van het aantal gediagnosticeerde hooikoortsgevallen over de periode 1985-2006. In 1985 waren 1 op de 100 vrouwen en 1,4 op de 100 mannen door een huisarts met hooikoorts gediagnosticeerd. In 2006 waren dat er respectievelijk 3,4 en 2,5. Dat kan erop wijzen dat het aantal mensen met hooikoorts in Nederland de afgelopen jaren inderdaad toenam.

Dat er „een verdubbeling in de laatste 10-15 jaar” zou hebben plaatsgevonden is echter onwaarschijnlijk. Vanaf het jaar 2002 neemt de groei van het aantal bij de huisarts geregistreerde gevallen af. De CMR heeft geen recentere data beschikbaar dan over 2006, en het interne onderzoek van Kleenex is niet inzichtelijk gemaakt.

Conclusie

Voor Nederland zijn geen accurate cijfers beschikbaar over het aantal mensen met hooikoorts. Internationale onderzoeken maken veelal geen onderscheid tussen hooikoorts en andere neusallergieën, en huisartsdiagnoses zijn niet representatief voor prevalentie onder de hele bevolking. Wel tonen ze een toename van het aantal mensen gediagnosticeerd met hooikoorts sinds 1985. Dat het aantal de afgelopen 10-15 jaar zou zijn verdubbeld is echter niet waarschijnlijk. Kleenex baseert zijn bevindingen op intern onderzoek en weigert de resultaten daarvan te delen, terwijl Nederlandse cijfers niet beschikbaar zijn. Daarom beoordeelt next.checkt de uitspraak als ongefundeerd.