Twee zussen

In de trein van Den Helder naar Amsterdam hadden twee zeer oude vrouwen plaatsgenomen met het ontembare verlangen om mij, aan de andere kant van het gangpad, het lezen onmogelijk te maken. Hun succes was groot. Vooral de oudste beschikte over zoveel conversatietalent dat de dialogen in mijn roman al snel iedere geloofwaardigheid verloren.

Ze móésten zussen zijn, zoveel leken ze op elkaar. Identieke grijze, smalle hoofden, de jongste met bril, de oudste zonder. Hoeveel zullen ze gescheeld hebben? Een jaar of vier, vijf.

Ze hadden een dagje in Den Helder doorgebracht, begreep ik, en waren nu op de terugreis naar Heiloo. Wat ze in Den Helder precies uitgevoerd hadden, werd mij niet duidelijk. Zelf heb ik nooit de drang gevoeld zonder aanwijsbare reden naar Den Helder af te reizen. Naar Heiloo ook niet, trouwens.

De oudste van de twee groef steeds dieper in haar herinneringen. „Acht dochters hadden ze”, zei ze tegen haar zus, die daar allang niet meer van opkeek en er alleen maar aan toevoegde: „En drie miskramen.”

„Acht! Ik vond het zielig voor pa”, zei de oudste.

„Je hoorde hem er nooit over.”

„Hij deed alles om haar te sussen.”

„Maar ze hadden het beterder dan de mensen nu”, zei de jongste. „Die gaan alsmaar scheiden.”

„Ik heb laatst nog een uitzending gezien over een vrouw die op een campingveld vermoord was door haar man. Tien jaar geleden. Dat deden ze vroeger niet, Coby. Nu is het schering en inslag.”

Ze zwegen om te luisteren naar een mededeling van de conductrice over de intercom dat de trein moest omrijden. Dat is tegenwoordig ook schering en inslag.

„Er is vertraging omdat we de seinennn moeten aanrijdennn”, zei de conductrice, terwijl ze de ‘n’ steeds ironisch benadrukte. Wat ze bedoelde mocht Joost misschien weten, wij in de trein hadden er geen flauw idee van. En vanwaar die ironie? Ook dat hoorde je vaker. Het leek de VPRO-radio wel, dertig jaar geleden.

„Ach, Coby, ik weet nog zoveel van vroeger”, zei de oudste. „Als ieder van ons alles zou opschrijven wat-ie wist, zouden we dikke boeken kunnen schrijven en er schatrijk van worden.”

Coby keek uit het raam. „Voor mij hoeft het niet. Dat is allemaal geweest.”

De oudste weigerde daarin te berusten. Ze begon te vertellen over het huisje dat hun vader „rechts van de Zeeweg” had gehad, een of andere vervallen woning met een tuin waarin hij in zijn vrije tijd met veel liefde groente verbouwde. Ma ging nooit mee, die had thuis genoeg te doen (of al gedaan). „Neem maar een paar van die meiden mee”, zei ze vaak tegen hem, „dan ben ik daar ook even vanaf.”

„En dan kwam hij ’s avonds thuis met vijf meiden op en aan zijn fiets”, zei de oudste nóg nagenietend. „Eén stond op de bagagedrager en hield hem om zijn nek vast.”

Ze hadden veel van hun ouders gehouden, vermoedde ik, vooral de oudste. „Het is jammer dat het zo moest aflopen”, zei ze nog.

Coby knikte. „En nu zijn wij ook alleen.”

De trein liep Heiloo binnen, reden voor paniekerige activiteit bij Coby. Ze haastte zich het gangpad uit met een reusachtige damestas.

„Nou, rustig maar”, zei de oudste. „Hij wacht heus wel even.”

Even later stapten ze gearmd voort over het perron. De oudste had nog steeds het hoogste woord. Ze wees voorbij het perron, naar Heiloo, waar hun levens geleefd waren.