Rappoëzie

Verhaal over acht dames op leeftijd die achter een cijferslot doen aan kleinschalig wonen. In de hoofdrol mevrouw Niterink (86), de moeder van Tosca Niterink.

Mevrouw Van Haren (links) en mevrouw Kistenmaker.

Buiten onder de parasol is het op deze zomerse zaterdagmiddag druk met familie en bewoners.

Ik zie mijn moeder al zitten, klein pas gekapt vogeltje.

„Hallo.”

Ik krijg een wazige blik terug.

„Wie mag u dan wel zijn?”

Au! De eerste keer dat ze me niet herkent en dat nog wel en plein public!

„Ik ben het, Tosca. Je kent me toch wel?”

„Tuurlijk! Je bent Tosca, je bent mijn moeder!”

„Nee mam, jij bent mijn moeder!”

„Ach natuurlijk”, mompelt ze beschaamd. „Hoe kan ik me zo vergissen? Natuurlijk, jij bent mijn dochter.”

„De zon verblindt nogal”, roep ik schor tegen de kring.

„Toedeloedeloe!”, roept Annie.

„Tiedeliedeliedelie!”, roept mevrouw Van Haren terug.

Een jaar geleden was ze zo bedroefd en in zichzelf gekeerd, ze zei nooit wat. Ik weet niet wat er gebeurd is in haar hoofd, een klein genadetikje van de voorzienigheid misschien, want ze is over dat punt heen en lijkt helemaal gelukkig. Ze wuift, klapt en doet aan klankrijm!

„Kopje thee, mevrouw Van Haren?”

„Lekker, lekker, lekker! Ladeliedeloe!”

„Mevrouw Van Haren”, vraagt Annie, „u bent toch stewardess geweest?”

Haar ogen beginnen te fonkelen, ze heeft geen rappoëzie meer paraat om aan deze blije herinnering uiting te geven, ze begint uit volle borst te zingen!

„La de lie de loe”, zucht mevrouw Kistenmaker. „Moet dat nou! Dit kunnen we er toch niet echt bij hebben vandaag...”

„Mag ik een vuurtje”, vraag ik haar.

Ze biedt me de sigaret aan. „U mag hem wel houden.”

„Ik bedoel de aansteker.”

„Ach”, zegt ze, „ik dacht dat het een sigaret was, zuster.”

„Het is jouw zuster niet”, snauwt mijn moeder, „het is mijn zuster!”

„Dochter”, verbeter ik haar.

„Dochter, wat maakt het uit!”

„O, wat leuk: je dochter! Wat enig.”

„Ja, en ik ben haar moeder!”

„Toe maar! Uw moeder leeft ook nog!”

„Tuurlijk, ze loopt al tegen de honderd! Net als mijn dochter.”

„Gut”, zegt Kistenmaker tegen mij, „u ziet er nog zo jong uit!”

„Hoe oud bent u?”, vraag ik.

„Mijn moeder is 92”, zegt de dochter van Kistenmaker.

„Zo, dat zou je ook niet zeggen.”

„Hoe oud ben ik ook weer, Tos?”

„86, mam!”

„Ben ik toch ouder!”, zegt Kistenmaker.

„Zie je wel, uitkijken voor die vrouw! Niet met haar praten!”

„Nou mam!”

„Ladeliedeloe!”, zingt Van Haren.

„Sorry hoor”, zeg ik tegen Kistenmakers dochter.

„Ach...”, zucht ze, „wees blij dat we ze zelf nog op een rijtje hebben.”

„Ja! Godzijdank!”

Bij de deur hebben we een probleem. „Wat was ook weer de code van het cijferslot?”

Verderop in de gang zitten twee zusters te roken, onderuitgezakt, voeten op de vensterbank.

„Wat is de code van het cijferslot ook weer?”

Ze barsten in lachen uit.

„Sorry, zo ver zijn we nog niet!”