Ook vrouwen mogen nu 'slackers' en losers zijn

‘Slackerkomedies’ draaien om slome kerels en nijvere meisjes. Maar ook vrouwen kunnen nu mislukken.

De komedie Our Idiot Brother, die deze week in roulatie gaat, eindigde aanvankelijk met „het oude cliché van twee mannen en een hond die samen kaarsen draaien”. Als een ‘bromance’, een mannenidylle in een onbedorven wereld zonder vrouwen.

Kon het maar zo mooi zijn. Superproducer Harvey Weinberg voegde later een ietwat detonerend eind aan de film toe: een pastiche op Disney’s 101 Dalmatiërs die een heteroseksuele romance belooft. Anders zou deze komedie vrouwen waarschijnlijk te weinig bieden.

Held Ned Rochlin is een echte slacker, het infantiele, futloze mankind dat in zoveel moderne komedies figureert. Maar ook een heilige idioot, zo gespeend van ambitie of dubbele bodems dat hij het beste in iedereen boven brengt. Het probleem zijn de vrouwen: Neds nare ex en zijn in zelfbedrog vastgedraaide succeszussen. Stuurloze Natalie, die „open staat voor jong en oud, dik en dun” omdat alleen seks haar bevestiging biedt. Liz, de carrièrevrouw die uit angst te falen over lijken gaat. Miranda, de starre dogmaticus die niet inziet hoe ongelukkig haar huwelijk met een nare hypocriet is.

Our Idiot Brother is een variant op de ‘slackerkomedie’, volgens David Danby in een essay uit 2007 het dominante komische genre in Hollywood in het nieuwe millennium. Daarin botsen de (mannelijke) ‘slackers’ op de (vrouwelijke) strebers.

De slacker is een vrij moderne filmheld. Sukkels waren er in de film altijd wel, maar een held die niets wil? Dat is modern. In 1991 werd de slacker geïntroduceerd in een goedkope, rommelige, maar zeer invloedrijke film van Richard Linklater. Slacker volgde jongeren in Austin, Texas die rondhangen en oeverloos ouwehoeren: Generatie X in actie. De opvolgers van de zelfvoldane babyboomers die, nadat ze de buit op de arbeidsmarkt onderling hadden verdeeld, met positieve riedels over ‘zelfontplooiing’ de realiteit van crisis en massawerkeloosheid in de jaren tachtig ontkenden.

Resultaat was een lichting cynische, introverte mopperaars die huilebalk Kurt Corbain als lichtend voorbeeld zag. Ambitie was niet cool, van een ‘McJob’ onder je niveau leven wel. En het cultiveren van jongenspassies: marihuana, porno, samenzweringstheorieën, strips, rockmuziek en actiefilms. De slacker was geen rebel, maar een saboteur. Hij weigerde gewoon op te groeien.

We kunnen die slacker nu allemaal wel uittekenen: vettig haar, mollig, ongeschoren,T-shirt vol vetvlekken dat half uit de korte broek hangt. Hij maakte namelijk fameus carrière. Na artistieke lowbudgetfilms begin jaren negentig (Clerks, Reality Bites) bereikte hij via MTV (Wayne’s World, Beavis & Butthead) Hollywood. De koning van de slackers werd de verlopen hippie The Dude in The Big Lebowski (1998): bowlend, blowend, „taking it easy for all of us sinners”. Daarna ging hij commercieel in talloze komedies, vaak van Judd Apatow. De slappe of infantiele man – Owen Wilson, Vince Vaughn, Jack Black, Seth Rogen, Jona Hill – werd steeds vaker aan ambitieuze en gedisciplineerde vrouwen gekoppeld. Die veel van hem konden leren, want de gewenste uitkomst van slackerkomedies is: man groeit alsnog op, vrouw durft te leven. De strijd der seksen kreeg zo de tegengestelde dynamiek van de ‘screwball comedy’ uit de jaren dertig, waarbij het leven van een serieuze man vaak overhoop werd gegooid door een kinderlijke vrouw.

Is het emancipatie dat de rollen nu zijn omgedraaid? Dat is de vraag: veel valt er voor vrouwen namelijk niet te halen in slackerkomedies. Het zijn brave, nijvere, wat zorgelijke meisjes die nooit eens iets leuks zeggen. Hun functie is het luie mankind uit zijn hol te lokken, want hoe fijn masturberen en hasjroken ook is, op zekere leeftijd wordt dat pathetisch. Het draait, kortom, om de man. Dat wordt nog versterkt door een tweede tendens in komedies: de ‘bromance’. Daarin draait het niet om jongen ontmoet meisje, maar om jongen ontvlucht meisje in onzinnige avonturen met vrienden: The Hangover is een voorbeeld.

Maar de nieuwe economische crisis baart nieuwe slackers. Zo trekt Ned Rochlin in Our Idiot Brother na zijn maatschappelijke falen bij zijn moeder en zussen in, wat hem tot een bona fide ‘boomerang kid’ maakt. Dat type is in opmars. Gingen slackers vroeger liever in de spoelkeuken werken dan terug te keren naar pa en ma, de Millenniumgeneratie, gepamperd en zich van geen generatiekloof bewust, keert na mislukte studie of ontslag gedeprimeerd terug in het ouderlijk nest. Specialisten in dit type zijn de broers Jay en Mark Duplass: in Cyrus gaat een niet uit huis te branden kind (Jona Hill) een geniepig duel aan met de would-be minnaar van zijn moeder. En in Jeff Who Lives At Home woont de dertigjarige held in de kelder van zijn ouders.

Nog opvallender is de opkomst van de vrouwelijke loser. Vrouwen die nu volledig meedraaien op de arbeidsmarkt kunnen dus ook volledig falen. De vrouwelijke ‘slacker’ is wat meer in paniek dan haar mannelijke evenbeeld, wat heel grappig kan zijn. In Tiny Furniture en de verrukkelijke dameskomedie Bridesmaids trekken oudere meisjes weer in bij hun ouders met een aanstekelijk mengsel van zelfspot en zelfmedelijden, in Young Adult opent de mislukte dertiger Mavis in haar geboortedorp een bizarre jacht op een jeugdliefje. In Our Idiot Brother mag de man nog een superieure loser zijn, de vrouwelijke slacker is in aantocht.