Neil Young op zijn gemak bij oude band met kinderliedjes

Neil Young: Americana (verschijnt vrijdag 1 juni). Beluister Americana t/m vrijdag op nrc.nl/muziek

Voor het eerst in zestien jaar brengt Neil Young een volledig album uit met Crazy Horse, zijn begeleidingsgroep sinds het eerste elektrische soloalbum Everybody knows this is nowhere uit 1969. Dat is verheugend, want bassist Billy Talbot, drummer Ralph Molina en gitarist Frank ‘Poncho’ Sampedro speelden eerder op hoogtepunten als Zuma (1975), Rust never sleeps (1979) en Ragged glory (1990). De standvastige ritmes en hun bereidheid om een simpel akkoordenschema minutenlang vol te houden gaven Young de ruimte voor zijn meest lyrische gitaarsolo’s. Terwijl de spontaniteit van het samenspel hem inspireerde tot fantastische nummers als Cortez the killer en Powderfinger.

Voor Americana boort Young (66) geen nieuwe creatieve bronnen aan, maar valt hij terug op een repertoire van Amerikaanse folkklassiekers en kinderliedjes, voorzien van de karakteristieke, gruizige Crazy Horse-methode. „Funky!” roept Young aan het eind van hun heftig door elektrische gitaren vermangelde Oh Susannah dat de toon zet voor een album waarmee de in Canada geboren zanger zijn Amerikaanse wortels claimt.

Liedjes die hij van school kende, zoals de tachtig jaar oude traditional Tom Dooley en Woody Guthries alternatieve Amerikaanse volkslied This land is your land, maakt hij zich eigen met zijn niet altijd even zuivere knauwstem, ingebed in de vervormde gitaarsound van zijn band die als een stoomlocomotief voortdendert.

De cowboysong Travel on en Leadbelly’s Gallows pole krijgen een vergelijkbare bewerking, alsof Neil Young zich met een tijdmachine heeft laten terugplaatsen om die klassiekers van drums en elektrische gitaren te voorzien. De beginjaren van de popcultuur komen in zicht in het doowopnummer Get a job, oorspronkelijk van The Silhouettes uit 1957, met samenzang die net iets pluiziger en buiten de lijntjes klinkt dan het origineel.

De verschillende stijlfiguren die Young zijn band laat uitproberen, kunnen er op wijzen dat Americana een opmaat is voor een langere periode van hernieuwde samenwerking. In 2000 ging hij ook al de studio in met Crazy Horse. Het resulterende album met de werktitel Toast bleef op de plank liggen omdat Young prioriteit verleende aan zijn Archives-project en het conceptalbum Greendale.

Americana laat horen dat Young zich als rocker nergens zo op zijn gemak voelt als bij zijn vertrouwde begeleidingsband. Tegelijk is het teleurstellend dat hij daar zo’n vreemd repertoire voor kiest. De kinderliedjes Clementine en Oh Susanna lopen het gevaar vertrapt te worden door de stampende olifant die Crazy Horse kan zijn. Het summum van muzikaal vandalisme bereiken ze in God save the Queen, met een bonkend marsritme en de kitschfactor van een jubelend kinderkoor aan het eind.

Het is prachtig om Neil Young & Crazy Horse weer eens in hun element te horen, maar het wachten blijft op nieuwe eigen nummers.