Kunst die iets moet betekenen

De komende maand staat in Den Haag kunst uit Zuid-Afrika centraal. De oudere generatie Zuid-Afrikaanse kunstenaars was gepreoccupeerd door politiek. De jongere is dat niet meer. „Wij praten liever over onszelf.”

‘Ndiyafuna’ (2006) van de zwarte Zuid-Afrikaanse kunstenaar Nicholas Hlobo (1975), vanaf volgende week vrijdag te zien in Museum Beelden aan Zee in Scheveningen. Foto Stevenson Gallery, Kaapstad

Nandipha Mntambo gebruikt koeienhuiden, Nicholas Hlobo werkt met rubber binnenbanden van auto’s en Wim Botha versneed Afrikaanstalige bijbels tot expressieve bustes. De onconventionele materialen van de jongste generatie Zuid-Afrikaanse kunstenaars is deel van de boodschap. Maar terwijl die boodschap onder hun voorgangers tijdens de apartheid nog vooral politiek was, worstelt de nieuwe lichting beeldhouwers bovenal met de eigen identiteit.

„Ik wil via de kunst begrijpen wat mijn plaats is in het grotere geheel”, peinst Mntambo (1982). „Nadenken over de politiek van het individu”, zegt Hlobo (1975). „Gewoon omdat het kan”, zegt Wim Botha (1974). „Dat activisme hoeft niet meer zo. Het is compleet geaccepteerd om jezelf te ontdekken. Daardoor wordt onze kunst abstracter, puurder ook.”

Werk van de drie is komende maand te zien in Den Haag als deel van een grote overzichtstentoonstelling van Zuid-Afrikaanse beeldhouwkunst. Stond vorig jaar China centraal, dit jaar wordt onder de wat belegen noemer ‘The Rainbow Nation’ aan het Lange Voorhout en in Museum Beelden aan Zee in Scheveningen kunst uit Zuid-Afrika getoond.

Gisteren opende koningin Beatrix de sculpturenroute aan het Lange Voorhout en op 8 juni begint de museumexpositie in Scheveningen. Ook in de Kloosterkerk, in het Atrium en bij het hoofdkantoor van de ANWB komen Zuid-Afrikaanse beelden te staan. En op 18 juli, International Nelson Mandela Day, zal voor het Haagse Congres Centrum een drieënhalf meter hoog standbeeld van kunstenaar Arie Schippers van de anti-apartheidsstrijder worden onthuld.

Drie generaties kunstenaars zijn in Den Haag vertegenwoordigd. Naast gevestigde namen als William Kentridge, Jane Alexander en Jackson Hlungwani is ook werk van aan de weg timmerende jonge kunstenaars te zien. De tentoonstelling is volgens curator Annelies van der Straeten het grootste platform dat Zuid-Afrikaanse sculpturale kunst ooit kreeg. „Veel mensen denken bij Afrikaanse kunst nog altijd aan tribaal werk, aan houten maskers en gekleurde kralen”, zegt ze. „Wij hopen een meer evenwichtig beeld van zestig jaar Zuid-Afrikaanse beeldhouwkunst te brengen.”

In de kleine kunstwereld van Zuid-Afrika zijn Mntambo, Hlobo en Botha inmiddels geen onbekenden meer. Alle drie werden ze de laatste jaren door de machtige Standard Bank uitgeroepen tot ‘jonge kunstenaar van het jaar’. Standard Bank is de grootste bank van Afrika die veel geld voor kunstsponsoring heeft. Bij gebrek aan subsidies of musea is dat waar kunstenaars het hier van moeten hebben. Mntambo exposeert om die reden nu in de prestigieuze galerie van de bank in hartje Johannesburg. Haar centrale thema: mens en dier – en de koe in het bijzonder.

Ze werd bekend met installaties van rond mensenlichamen – meestal dat van haarzelf – gevormde koeienhuiden. „Het fascineert me dat iedereen altijd en overal een soort connectie met de koe heeft: mensen eten ze, dragen ze als leer of ze aanbidden ze”, zegt ze op een terras. In recent werk, dat nu in Johannesburg getoond wordt, probeert ze het fenomeen stierenvechten te doorgronden. „Wij mensen willen ons onderscheiden van dieren”, zegt ze daarover, „maar we onderkennen niet dat we zelf ook een dier zijn.”

In Mntambo’s werk is de invloed van leermeester Jane Alexander nooit ver weg. Alexanders beroemdste stuk The Butcher Boys uit 1986 – drie mensachtige beesten met zwarte ogen en gebroken geweien op een bankje – was een aanklacht tegen de onmenselijke apartheidsmaatschappij. Tot spijt van curator Van der Straeten was dat beeld te fragiel om naar Den Haag te transporteren. Ander werk van Alexander is wel te zien op de tentoonstelling.

Net als bij Alexander versmelten in veel werk van Mntambo mens en dier tot een punt dat de toeschouwer niet meer precies weet waar hij naar kijkt. „Ik heb van haar veel geleerd over dit vage niemandsland, de ruimte tussen mens en dier waar niemand over praat”, zegt Mntambo. „Via koeien en stieren probeer ik de mens beter te begrijpen.”

Maar laat duidelijk zijn, zegt Mntambo, anders dan bij Alexander dient haar kunst niet het algemeen nut. „Mensen van mijn leeftijd proberen gewoon een beetje te leven”, zegt ze. „Ze proberen erachter te komen wat het voor hen betekent om Zuid-Afrikaans te zijn, om op deze historisch beladen plaats op te groeien. Dan is creativiteit het beste middel om dat te exploreren.”

„De oudere generatie was gepreoccupeerd door politiek”, zegt Nicholas Hlobo in zijn enorme atelier in een oud industriepand. „Wij praten liever over onszelf. We laten zien hoe we ons in de nieuwe dispensatie steeds opnieuw uitvinden, onze identiteit, etniciteit en seksualiteit – allemaal thema’s die diep persoonlijk zijn. Sommige kunstenaars vinden dat ze een sociale verantwoordelijkheid hebben; ik niet. Ik maak mijn werk alleen voor mezelf.”

Toch haalde een buitengewoon politiek kunstwerk uit Zuid-Afrika afgelopen week de wereldpers: het satirische werk De Speer, waarop president Zuma met zijn geslacht uit de broek is geschilderd, werd na een woest debat besmeurd. De kunstenaar, Brett Murray, is duidelijk van een eerdere generatie, haast Hlobo zich te zeggen. „Maar ik vond het een prachtig schilderij. De ophef begrijp ik alleen niet. Pure fictie toch? Heeft de kunstenaar de genitaliën van de president gezien?”

Hoewel Zuid-Afrika sinds het eind van de apartheid niet meer geïsoleerd is, is de afstand tot de westerse kunstwereld vaak nog groot, zegt Wim Botha. „We volgen niet echt de wereldtrends hier. Het land, met al zijn tegenstellingen, gebiedt ons wel om relevant bezig te zijn. In welvarende maatschappijen wordt veel irrelevante kunst gemaakt, steeds vaker ook kunst die niet meer tastbaar is. Dat kan hier dus niet. Je produceert iets concreets en het heeft betekenis, welke ook.”

In zijn geval is dat de verwerking van het eens oppermachtige calvinistische Afrikanerdom. De blanke Botha groeide op in apartheidbureaucratenparadijs Pretoria en maakte onder andere getormenteerde sculpturen van samengeperste Staatscouranten en van oude bijbels. Zijn werk vindt vooral weerklank onder leeftijdgenoten die opgroeiden onder apartheid en nu een plaats proberen te vinden in het nieuwe Zuid-Afrika, dat land van de regenboog. „Het is een interessante tijd in Zuid-Afrika”, zegt Botha, „waarin kunstenaars behoefte voelen hun eigen agenda te volgen en het buitenland op afstand te houden.”

Dat geldt ook voor Nicholas Hlobo. Op de grond van zijn studio naaien assistenten aan een immens amorf gevaarte van rubber binnenbanden voor de Biënnale van Sydney. Dat rubber keert in veel van zijn werk terug. Het staat voor de geschiedenis van de industrialisatie, zegt hij, voor vooruitgang en seksualiteit in tijden van aids. Al sprekend stapelt hij metafoor op metafoor, associatie op associatie. Het materiaal is ook „typisch Afrikaans”, meent hij. „Waar ter wereld hebben auto’s nog binnenbanden?”

Maar maakt dat het werk van de jongste generatie beeldhouwers echt ‘Afrikaans’?

Mntambo: „Omdat ik vrouw ben en zwart, was er op de kunstacademie druk om te kiezen voor hout of klei, want dat zou Afrikaans zijn. Waarom? Is het niet zo dat die materialen vooral door zwarten gebruikt worden omdat ze goedkoop zijn?” Ze vond een taxidermist die hielp met het prepareren van koeienhuiden. „Dat was weer eens iets anders.”

Ook koeienhuiden bleken niet waardevrij. Kunstcritici schreven dat ze protesteerde tegen de bij veel Afrikaanse volken gangbare gewoonte om bruidsschatten in koeien te betalen, dat een vrouw een koe waard is. „Daar gaat het helemaal niet om”, lacht ze. „Mensen hier praten vaak over je achtergrond en je huidskleur en slaan dan stereotiep aan het filosoferen. Ze kijken naar mij en zien een jonge, zwarte vrouw. In het buitenland wordt mijn werk veel meer op zijn merites beoordeeld.”

„Wat Afrikaanse kunst is, weet ik nog steeds niet”, besluit Hlobo. Maar ik kom uit Afrika, dus wat mij betreft is mijn kunst Afrikaans.” Tot generalisaties over waar hedendaagse Zuid-Afrikaanse kunst voor staat, laat hij zich niet verleiden. En nadat hij eerst forse kritiek uitte op de titel The Rainbow Nation van de tentoonstelling in Den Haag („afgezaagd”, „ongeïnspireerd”) moet hij uiteindelijk concluderen dat het moeilijk is de moderne beeldhouwkunst als geheel te kenschetsen. „We zijn individuen”, zegt hij. „En aan het eind van die regenboog zoeken we allemaal een pot goud.”