Klimaat beëindigde Induscultuur

In de Indusvallei werd het tussen 7.000 en 4.000 jaar geleden steeds droger. Die klimaatverandering liet steden ontstaan en ook weer verdwijnen.

Verstedelijking en ontstedelijking wisselen elkaar vaak af in de loop van de geschiedenis van een gebied. Dat gebeurde ook in de Indusvallei, in het huidige Pakistan, waar zo’n 5.000 jaar geleden een stedelijke beschaving ontstond die een bloeiperiode beleefde tussen 2500 en 1900 voor Christus.

In twee grote en enkele tientallen kleinere stedelijke centra sloegen de bewoners het landbouwsurplus van het omringende, door rivierwater bevloeide platteland op in grote graanschuren en verzorgden de herverdeling. Er was niet één centraal gezag in de vallei, maar al deze centra hadden een identiek stratenplan, dezelfde baksteenarchitectuur en hetzelfde – nooit ontcijferde – schrift.

Na 2000 v.Chr. werden de steden aan de benedenloop van de Indus verlaten en stroomopwaarts maakten ze plaats voor nederzettingen op dorpsschaal. De materiële cultuur viel geleidelijk uiteen in regionale stijlen en het schrift verdween.

Lang zochten archeologen de oorzaak van de terugval bij vreemde invallers, sociale instabiliteit, de verbreking van ooit levendige handelscontacten of uitputting van de bodem. Maar het was de afname van de regenval, concludeert een internationaal team van onderzoekers onder leiding van de Amerikaanse geoloog Liviu Giosan in een gisteren verschenen artikel in de Proceedings of the National Academy of Sciences.

Moessonregens voedden de Indus en haar zijrivieren en zorgden voor voldoende bevloeiingswater. Na 1900 v.Chr. zou die regenval zo sterk zijn afgenomen dat het landbouwsurplus slonk en het draagvlak voor een stedelijke samenleving wegviel. De onderzoekers trekken hun conclusie uit geofysisch onderzoek aan de lagen van rivierafzettingen, en archeologische gegevens over de verspreiding van nederzettingen.

Uit de reconstructie van het veranderend rivierlandschap blijkt dat het klimaat na omstreeks 5000 v.Chr. heel geleidelijk droger werd, waardoor de waterafvoer in de Indus minder onstuimig werd. Bovenstrooms, in het huidige Punjab, sneden zijtakken van de Indus niet langer diep in het landschap en de afvoer van slib nam af.

De rivier trad alleen in het voorjaar buiten haar oevers, waardoor in de vallei gunstige omstandigheden voor landbouw ontstonden. Nomadische herders uit de omringende heuvels begonnen met landbouw in het dal en rond 4500 v.Chr. ontstonden de eerste steden.

De optimale omstandigheden voor deze vloedlandbouw duurden tot 1900 v.Chr. Daarna, schrijven de onderzoekers, werkte het allengs drogere klimaat tegen de Indussteden. Toen de moessonregens verder afnamen, kreeg de vallei op den duur onvoldoende bevloeiingswater om stedelijke gemeenschappen van voedsel te voorzien. De bewoners van de Indussteden legden wel kanalen aan van de rivier naar hun woonwijken, maar ze beschikten niet, zoals in het oude Egypte en Mesopotamië, over grootschalige irrigatiesystemen.

Afnemende regenval en minder regelmatige voorjaarsoverstromingen verklaren volgens de auteurs dat het vestigingspatroon in de Indusvallei geleidelijk verschoof naar kleinere nederzettingen aan de bovenloop van de Industakken. Daar waren de voorjaarsvloeden nog wel betrouwbaar waren en maakte regenval zomerse oogsten mogelijk.

Op den duur leidde dat ertoe tot dat de bevolking zich naar het oosten verplaatste en in kleinschaligere nederzettingen ging wonen. Daarmee nam de sociale complexiteit af en was ontstedelijking een feit.