In de oorlog heb je geen stijlregels nodig

Fotografie

Emmy Andriesse, t/m 30 september in het Joods Historisch Museum, Nieuwe Amstelstraat 1, Amsterdam. Dagelijks 11-17u. Inl. www.jhm.nl ****

Kun je nog aan kunst denken als je wordt omringd door een ondenkbare catastrofe? Het is een van de vragen die je kunnen bezighouden in het Joods Historisch Museum. Dat toont werk van Emmy Andriesse (1914-53), een veelzijdig fotograaf, hier beperkt tot haar foto’s van joods Amsterdam waar ze de oorlog overleefde. Dan nog aan kunst denken? Onmogelijk, zegt je logisch verstand. Toch kan het, blijkt in de kleine expositie – ruim vijftig foto’s – in de museumkelder, een geschikte plek voor een tijdvak dat het daglicht moeilijk verdraagt.

Haar foto’s van de Hongerwinter zouden Andriesse beroemd maken. Een mager jongetje dat ze op haar stoep zag, liet ze poseren in zijn te grote jas, het pannetje voor de gaarkeuken vastklampend. Op andere foto’s lopen kinderen hand in hand, je vraagt je af of ze nog ouders thuis hadden. Andriesse fotografeerde ze in stemmig licht, schaduwen tekenen zich af tegen de grauwe stad – kunst dus.

Toch had Andriesse een ander oeuvre voor ogen, en een ander leven, toen ze eind jaren dertig de moderne kunstvorm fotografie koos. Verkerend in kunstenaarskringen koos ze een Bauhausachtige stijl: met kaders en licht bracht ze volume en dynamiek in haar foto’s van mode en mensen. Ze werkte voor modehuis Metz en maakte foto’s van het alledaagse Amsterdam dat ze bij verschillende bladen aanbood – katholiek, socialistisch of wat dan ook. Als dochter van twee ondernemers was ze een assertieve vrouw vol ondernemingslust en interesse voor haar medemens, die zowel in het echt als in haar werk de dag plukte.

Maar alles liep anders. De Nazi’s kondigden niet meteen in 1940 al hun fotoverbod af. Baby’s en bruiloften mochten nog worden vastgelegd – het leven ging soort van door, zelfs voor de joodse Andriesse. Een valse ariërverklaring hielp haar de oorlog door. Illegaal fotografeerde ze de mens, en die mens veranderde. Vijf vuile kindertjes samen in een bed in het voorjaar van 1945 schuilen argwanend en bang samen.

Al klinkt het tegenstrijdig, haar avant-garde esthetiek paste hierbij: in een wereld die aan geen regel meer voldoet, volstaan klassieke stijlregels evenmin. En dus staan de mensen half in beeld, of zoomde Andriesse in op details – bungelende voetjes van kinderen op een muurtje, akelig dun in hun grote schoenen. Maar die kinderen hadden tenminste nog schoenen. En ze waren niet afgevoerd.

Pas tijdens de bevrijding komt in haar werk weer de stad in beeld, toen Andriesse weer verder kon kijken. „Leest de Waarheid” staat als reclame voor het dagblad in koeienletters op een muur, veel leegte erboven, nietige mensjes eronder. Ja, de waarheid... dat was bijvoorbeeld de aankomst van een overlevende uit Bergen-Belsen in Amsterdam. De vrouw loopt moederziel alleen, met twee tassen alsof ze van de markt komt, haar blik argwanend. De meute op straat kijkt niet naar haar, niet echt. Andriesse wel. Die legde de vrouw vast onder de grijsbewolkte lucht, met de elektriciteitskabels van de spoorlijnen die samenkomen achter haar hart. Niets is toeval op Andriesses uitgebalanceerde foto’s.

Terwijl het land de vrijheid vierde, verloor Andriesse die zomer haar zoontje, een peuter, een ongeluk op vakantie. Een jaar later werd haar tweede zoon geboren, die zijn moeder niet oud zou zien worden. Op haar 39ste stierf ze aan kanker. Maar ze liet een oeuvre na dat het leven in al zijn gruwel en schoonheid vastlegde. Ook joods Amsterdam herpakte zich, op haar foto’s althans. Op de markt werden boeken uitgestald en meubels voor nieuwe interieurs, nieuwe levens. Daar weerspiegelden twee jonge mensen in een passpiegel. Snel ving Andriesse zo hun portret, omlijst door het leven van alledag.