De Bovenbazen (19)

Hij zuchtte en herstelde zich met grote geestkracht.

‘De jonge vriend heeft een slecht humeur,’ mompelde hij. ‘Het is ook eigenlijk verkeerd om op zijn leeftijd te wedden. Komaan, ik ga eens rustig overleggen wat ik met mijn ddt kan doen.’

Met deze gedachte betrad hij slot Bommelstein waar de bediende Joost toevallig doende was een schooltje muggen te vervolgen. Hij deed dat grondig en er hing dan ook een dichte nevelsliert door de hal, die heer Ollie onaangenaam trof. Maar hij liet zijn stemming er niet door bederven.‘Ah… ah… atsjie!’ sprak hij, zwaaiend met zijn aandelen. ‘Dag Joost! Kijk eens wat ik meebreng! Ik bezit alle ddt van de wereld! Wat zeg je daarvan?’

‘Zeer betreurenswaardig,’ zei de knecht door de zakdoek die zijn neus bedekte. ‘Ik heb hier maar één flesje met uw welnemen – en dat is me al te veel. U mag wel oppassen voor uw slijmvliezen, als ik me zo mag uitdrukken!’

Heer Bommel betrok.

‘Je begrijpt het niet,’ hernam hij. ‘ ddt is een schitterende uitvinding. Het uitroeien van schadelijke insecten is prachtig werk; juist iets voor iemand van mijn stand.’

‘Zoals u wilt,’ gaf Joost toe. ‘Maar deze muggen zijn aan het goedje gewend. Het helpt niet meer, met uw goedvinden.’

‘O,’ zei heer Ollie. Hij staarde met belemmerde ademhaling naar de rondzoemende insectjes, en glimlachte.

‘Dat zal veranderen!’ beloofde hij wat afwezig. ‘Ik zal daar persoonlijk mijn gedachten wel eens over laten gaan.’