Zwemmen met de geur van aarde, kiezels of wier

Wildzwemmen staat in Nederland bekend als koud, vies en gevaarlijk. Maar toegeven aan die bezwaren is een gemiste kans.

Elsje Jorritsma

Rob, Wetzer, next, nrc, zwemmen, buiten, ochtend, rust, stilte, open, water, vrij, zon, zonnig, recreatie, pier, steiger

Als iemand reclame had willen maken voor zwemmen in buitenwater, dan had hij ongeveer afgelopen weekend verzonnen. Heet, helder en weinig wind, terwijl het water nog lekker fris is.

Wildzwemmen, had de reclameman het dan genoemd, in plaats van het wat duffe ‘zwemmen in natuurwater’. Geleend uit Engeland, waar wild swimming de laatste jaren een zekere cool-factor heeft gekregen – en een toename van het aantal beoefenaars. De populaire wetenschapsblogger Frank Swain vroeg vrijdag per Twitter nog om suggesties voor wildzwemmen in de buurt van Londen.

Het is niet overbodig om wildzwemmen aan te prijzen. Hoewel veel Nederlanders regelmatig zwemmen – tegen de 20 procent, in alle leeftijdsgroepen – doen ze dat voornamelijk in de ongeveer 800 openbare zwembaden. Als je weet dat ongeveer eenvijfde van de oppervlakte van Nederland uit water bestaat, dan zie je de contouren van een gemiste kans.

Jarenlang zwom ik ’s ochtends voor het werk in een meertje in Rotterdam, van het late voorjaar tot het vroege najaar. Te water gaan, in dof ochtendlicht, is vaak even doorbijten. Maar halverwege de plas komt de zon tevoorschijn en ben ik in het ritme van mijn trage crawl gekomen. Dan denk ik soms aan de honderden mensen die op dat ogenblik in benauwde zwembaden in Rotterdam liggen. Die proberen niet geschopt te worden in de overbevolkte banen, met de geur van chloor en deodorant in hun neus, en het vooruitzicht van stroeve kleren in een bloedheet kleedhokje.

Niets tegen een fijn zwembad natuurlijk als het rustig is en te koud om buiten te zwemmen. Het haalt het alleen niet bij zwemmen in meren, plassen of rivieren.

Maar wildzwemmen heeft in Nederland geen goede naam. Koud, vies en gevaarlijk, dat zijn kortgezegd de redenen dat mensen er niet aan willen – of in willen, beter gezegd. Nou moet iedereen natuurlijk zelf weten waar hij zwemt, maar dit hoeven in ieder geval geen onoverkomelijke bezwaren te zijn.

Om met kou te beginnen: het klinkt flauw, maar je went er aan. Door telkens iets langer in koud water te zwemmen heb je er steeds minder last van. De eerste keer in water van 16 graden ben je na een kwartier versteend – het gemiddelde binnenbad is 27 graden. Maar na een paar keer kan je er zonder problemen een half uur in blijven. Of langer. Mensen die het kanaal overzwemmen liggen er urenlang in, en de Noordzee is dan niet warmer dan 18 graden, vaak zelfs kouder.

Het heeft het voordeel dat je ook buiten het water koudebestendiger bent. Op frisse zomeravonden buiten in een dun jurkje dus, zonder de kou met alcohol te hoeven verdrijven. Wetenschappers weten niet precies hoe dat komt. Het zou te maken hebben met het aanmaken van ‘bruin vet’, dat je rechtstreeks kunt verbranden om warm te blijven, niet te verwarren met het witte vet dat lelijk bobbelt en niet voor warmte kan worden ingezet.

Het water is nu op veel plaatsen trouwens al warmer dan 17 graden. Dat is op warme dagen in ieder geval een prima zwemtemperatuur.

Buiten zwemmen is vies, hoor ik ook vaak. Dat is lastig te weerspreken. Vies is een betrekkelijk begrip. Water in meren en rivieren is vaak een beetje troebel, of helder maar bruinig van kleur, in veenplassen. Dat is eigenlijk ook een van de grote voordelen van wildzwemmen; het is geen twee keer hetzelfde. Aards kan het ruiken, het water in donkere plassen. Fris, en een beetje kiezelig zelfs in rivieren die uit Frankrijk komen. De zee smaakt naar wier. En na de regen, of in de regen, kan water zelfs een beetje metalig ruiken.

Maar vies in de zin dat je er ziek van wordt; dat heb ik zelf altijd een klein en goed te beheersen risico gevonden. Iedere provincie controleert regelmatig de kwaliteit van de ‘officiële’ zwemwaterlocaties, en dat kan je gewoon opzoeken. Het meest hardnekkige probleem is blauwalg, een bacterie die groeit in water met te veel voedingsstoffen. En echt gevaarlijk is dat niet, als je er een keer per ongeluk in terecht komt. Je kunt wat huidirritatie of slappe darmen krijgen, maar niets dat niet binnen een etmaal weer over is. Je moet plekken met veel blauwalg mijden, maar van één keer heb je nauwelijks last. Potentieel ernstiger zijn de ziekte van Weil en Botulisme, maar die komen niet veel voor in Nederland – en de overheid waarschuwt op plekken waar het is aangetroffen.

En dan is er nog het vies in de zin van modder aan je voeten. Tja. Dat kan. Op sommige zwemplekken zijn een soort zandstrandjes aangelegd, zodat je makkelijk het water in kan. En je kan waterschoenen dragen, die beschermen tegen scherpe stenen en dingen op de bodem. Je kan ook denken: die voeten worden wel weer schoon.

Het is jammer dat niet op meer plaatsen het voorbeeld van Denemarken en Zweden wordt gevolgd: daar zijn overal en nergens zwemsteigertjes te vinden. Houten plankieren met zwemtrapjes, soms een duiktorentje en nog een houten vlonder om naar toe te zwemmen. Zonder dat het meteen een al te fun-evenement-achtig karakter hoeft te krijgen.

Helemaal ongevaarlijk is wildzwemmen niet. In deze zomermaanden hoor je regelmatig dat iemand is verdronken in het buitenwater, toch zijn de risico’s van het wildzwemmen over het algemeen acceptabel. Als je niet vaak zwemt, moet je niet meteen dwars een meer willen overzwemmen. Lange banen langs de kant kan ook, dan kan je er altijd uit in geval van nood. Als het koud is, en je daar niet aan gewend bent, geldt hetzelfde. Stilstaand water is een stuk veiliger dan (snel)stromend water.

En kramp is een overschat gevaar: dat krijg je vrijwel nooit ergens anders dan in een voet of teen, en het trekt weg als je er rustig mee door zwemt of even strekt. Het is sowieso handig om niet alleen te gaan zwemmen – en niet dronken.

Na zelfoverschatting is het grootste gevaar het andere verkeer: een hoofdje en wat armbewegingen zijn gemakkelijk te missen voor boten. Vooral waterscooters en speedboten zien niets. Maar er zijn genoeg plekken waar het voor motorboten verboden is, en waar ook geen of nauwelijks zeilboten komen. Een oranje of gele badmuts helpt.

En iedere wilde zwemmer kent de angst voor what lies beneath. Ik probeer meestal niet te denken aan waar ik boven zwem, maar heel af en toe wint de fantasie over enge vissen of erger het van de ratio. Maar er zwemmen in Nederland geen mensetende vissen, en monsters bestaan niet. Er zijn broodjes aap over snoeken die in tenen bijten, maar als dat al ooit een keer gebeurd zou zijn: meer dan een paar hechtingen houd je daar niet aan over.

Het belangrijkste is misschien wel: wildzwemmers moeten vooral zelf een beetje blijven opletten. De vergelijking met wandelen is verhelderend. Wandelen langs de Overtoom in Amsterdam is ongevaarlijk, lopen in de bergen niet helemaal. Maar als mensen iets overkomt in de bergen, is dat meestal omdat ze zich totaal niet hebben voorbereid. Even naar het weerbericht kijken, checken hoe steil de route is, extra kleding en wat eten meenemen; meer is meestal niet nodig.

En de beloning is groot. Na een uurtje zwemmen tegen zonsondergang in een koel meer, kom je echt anders uit het water dan na het trekken van tachtig baantjes en maken van evenzovele keerpunten.