Column

Oppassen

Omdat hun ouders naar Bruce Springsteen in Keulen wilden, brachten wij in hun huis de Pinksterdagen bij onze kleinkinderen door. Een uitwedstrijd dus, met alle problemen van dien.

In andermans huis ben je nooit meteen de baas, het duurt een poosje voordat je allerlei praktische raadsels hebt opgelost. Hoe zet je de televisie aan en (vooral) uit, hoe bedien je die wonderlijke waterkraan op de badkamer? Soms konden de kleinkinderen helpen, maar dat kan je een lastige, psychologische achterstand bezorgen. „Weten jullie het nou nog niet?”, verzuchtte Glenn toen we weer over die televisie begonnen. Als het aan hem ligt, hoeven televisies nooit uitgezet te worden.

Een kinderbadje moet worden gevuld; op een bloedwarme Pinksterdag kan dat voor je kleindochter plotseling een existentiële noodzaak worden. Ik heb me een gebroken rug getild aan een loodzware gieter, die herhaaldelijk in de hoek van de tuin gevuld moest worden. „Je had beter de tuinslang in de schuur kunnen gebruiken”, zei mijn dochter nadat ze was teruggekeerd uit Keulen. Ze zag er uitgerust uit, evenals haar man. „Het beste concert van ons leven”, zeiden ze. „Hij trad 3,5 uur op, non-stop, met een fantastische band en hij zong nog als een jonge god.”

Die Springsteen, rekenden ze snel even uit, was maar drie jaar jonger dan ik – en dan nog zoveel energie! Ze constateerden dit kort nadat ik had verteld hoe ik op het voetbalveldje met gemak verslagen was door Glenn, inmiddels zeven jaar.

Hij liep me er in de sprint volledig uit. Ik hinkte als een logge Nederlandse voetbalinternational die zijn bovenbeen al verrekt in een partijtje tegen derderangs Bulgaren. „Mijn hamstring!”, riep ik nog naar Glenn, maar hij deed alsof hij niets hoorde en scoorde meedogenloos in een leeg doel.

Natuurlijk, er zijn ook momenten van troost in zo’n weekendje dat je op je kleinkinderen moet passen.

Ik draaide Fay, mijn kleindochter van vier, rond in een kleine draaimolen. Opeens, zonder enige aanleiding, riep ze naar me: „Vind jij lekkerbekjes ook lekker?” Als een Vlaamse cartoonist het verzint, noemt men dat heel knap.

Hoewel Glenn liet weten dat „lezen niet mijn favoriete hobby is”, wilde hij ons wel toestaan dat wij hem en zijn zusje soms iets voorlazen. We hadden hem Peter en Petra van Astrid Lindgren cadeau gegeven. Daarin kloppen twee kindertjes van piepklein formaat bij een school aan. Ze behoren bij een onbekend ‘minivolkje’ en willen graag les.

De onderwijzeres zet ze bij het jongetje Gunnar op de bank. Op een dag gaat Gunnar met ze schaatsen. Gunnar vindt het een prachtig gezicht. „Ze dansten en sprongen op hun schaatsjes rond. […] Hij hield zijn adem in. Zoiets moois had hij nog nooit gezien, en hij was ervan overtuigd dat hij dit zijn leven lang niet meer zou vergeten.”

Na de kerstvakantie blijken de minikinderen verhuisd, ze sturen Gunnar een briefje, waarin ze zeggen dat ze de ijsbaan missen. De slotalinea: „Gunnar schaatst ’s winters nog altijd in het Wasapark. Maar een enkele keer blijft hij even om zich heen staan kijken. Dan is het net of hij een klein jongetje en een klein meisje op zachte muziektonen vanuit de verte aan ziet komen zwieren.”

De melancholie van dit slot voelde ik tot diep in mijn keel terwijl ik het voorlas. Kinderen hebben daar minder aanleg voor. „Ik heb ook weleens aan Joy teruggedacht”, zei Glenn. „Dat ze me soms krabde.”