Minder onderzoek naar gengewassen

Steeds meer onderzoek naar genetisch veranderde tarwe, maïs, rijst, bloemen en fruit verdwijnt uit Europa. Door actievoerders die proefvelden vernietigen en regelgeving.

Hoge bewakingskosten en strengere regelgeving weerhouden steeds meer Europese universiteiten en overheidsinstituten van veldproeven met genetische gemanipuleerde gewassen. Ook chemieconcerns die gewassen ontwikkelen die bestand zijn tegen hun bestrijdingsmiddelen zijn terughoudender geworden.

In mei 2009 lagen er nog meer dan honderd aanvragen voor Europese veldproeven te wachten op goedkeuring; deze maand waren het er nog maar 41, waarvan 30 in Spanje. Dat blijkt uit een inventarisatie van GMO-safety, een door de Duitse overheid betaalde Europese voorlichtingsorganisatie. Spanje is ook het enige land in Europa waar boeren gentech-gewassen verbouwen. Dat is vooral maïs waarin genen van de voor de insekten giftige bacterie Bacillus thuringiensis (bt) in zijn gebouwd. Daardoor is ook deze bt-maïs giftig voor insekten, maar niet voor mensen en andere zoogdieren.

Opvallend is de eenzijdigheid van de tegenwoordige proeven: tweederde ervan wordt gedaan door de chemieconcerns Monsanto, DuPont en Syngenta, met varianten van bt-maïs en bt-katoen. Dat type insektenresistente maïs en katoen is in de VS echter al sinds 1996 op de markt. Slechts zeven veldproeven zijn dit jaar echt vernieuwend.

In Nederland hebben bedrijven en onderzoeksinstituten zaden van tientallen genetisch veranderde planten klaarliggen om in de buitenlucht te testen. Die planten hebben de proeven in kassen achter de rug. Maar vergunningen voor veldproeven zijn dit seizoen niet aangevraagd. Het gaat om genetisch veranderde aardappelen, groenten, fruit en bloemen. Wel zijn drie eerder gestarte veldproeven nog aan de gang: bt-maïs van chemieconcerns, en een schimmelresistente aardappelproef van Wageningen UR. Dat was in de jaren negentig heel anders. In Nederland zijn ongeveer 160 veldproeven gedaan en ieder jaar waren wel een zestigtal veldproeven bezig die meestal meerdere jaren duren. In 1996 startten Nederlandse bedrijven en universiteiten bijvoorbeeld nog vijftien nieuwe proeven: met Afrikaanse viooltjes, aardappelen, suikerbiet, maïs, anjer, appel, wortel, chrysant en cichorei. Deze gewassen kregen door veranderde genen een andere kleur (anjer), een virusresistentie, schimmelresistentie, of een andere suiker- of zetmeelsamenstelling.

In Frankrijk zijn in totaal bijna 600 veldproeven gedaan, meest met maïs, koolzaad, zonnebloem en tabak (voor productie van medicijnen). Maar sinds 2006 is geen enkele nieuwe veldproef meer gestart. In Duitsland waren het er in 2007 nog 80; in 2011 maar 15. In januari meldde het Duitse chemieconcern BASF te stoppen met het onderzoek en de commercialisering van gentech-gewassen gericht op Europa omdat „er onder boeren, consumenten en politici een gebrek aan acceptatie is”.

Commercieel verbouwen van gentech-gewassen gebeurt in Europa ook nauwelijks. Maar wereldwijd is er een sterke toename. De voorlichtingsorganisatie International Service for the Acquisition of Agri-biotech Applications (ISAAA, gesponsord door de betrokken chemieconcerns) meldde begin dit jaar dat 16,7 miljoen boeren in 29 landen samen 160 miljoen hectare gentech-gewassen telen. Dat is 40 keer het landbouwareaal van Nederland en 12 miljoen hectare meer dan in 2010. Het zijn vooral de inmiddels traditionele herbicidetolerante gewassen soja, katoen en maïs in Amerika en Latijns Amerika. Innovaties zijn er ook daar niet. De chemieconcerns ontwikkelen geen gentech-groentes, nauwelijks gentech knolgewassen, en ze moeten hun beloftes rond nieuwe typen granen – zoals droogteresistentere maïs – nog waarmaken.