Ik was winkelier

„Eind jaren zeventig gingen we een jaar met de kinderen, 9 en 11, Europa door. Dat mocht toen ook niet, maar je deed het. Terug in Nederland bleek hier grote werkloosheid.

„Ik heb klassieke talen gestudeerd en maatschappelijk werk gedaan, mijn man was planoloog. We hebben altijd gedacht: doe wat je leuk vindt. We zien wel.

„We begonnen een kinderboekenwinkel. Zoiets had je alleen in Amsterdam, maar het paste in de geest van de tijd. Alleen, twee kapiteins op een schip... M’n man begon verderop in de straat een winkel in kookboeken en keukengerei. Zijn pand hebben we uiteindelijk gekocht, de zaak verhuurd. Onze zoon heeft de kinderboekenwinkel.

„We zijn naar Frankrijk gegaan, om van een ruïne een huis te maken. Je stort je op de taal, de politiek. Dat voelde lekker. Je omgeving zegt: je hebt het verdiend, geniet ervan.

„Heel gek eigenlijk. Je wordt voorbereid op een pensioen, waar je fysiek en mentaal nog helemaal niet aan toe bent. Je hebt nog zoveel energie en potentie. Dat blijft schuren.

„Na tien jaar zijn we teruggekomen. We kregen ons huis in Nederland niet verkocht, onze huurders zegden hun winkel op. Dan heb je kosten en geen inkomsten.”