Gaat 'begrotingstsaar' hard straffen of niet?

Eurocommissaris Rehn heeft eindelijk de macht om sancties af te kondigen tegen landen met te hoge tekorten of schuld. Maar is het uitgerekend nu politiek slim om dat ook te doen?

Morgen is dé dag waarop eurocommissaris Olli Rehn kan bewijzen of hij echt de onbuigzame ‘begrotingstsaar’ is die hij volgens sommigen moet zijn. Want morgen, op 30 mei, geeft hij elk land in de Europese Unie een rapport voor zijn economische en financiële huishouding. Daar horen aanbevelingen bij. Als regeringen bepaalde aanbevelingen in de wind slaan, kunnen ze tegenwoordig straf krijgen.

Voor Nederland is Rehns oordeel niet onbelangrijk: één van de vele elementen waarover de Finse eurocommissaris een oordeel velt, is het Lenteakkoord. Daarin geeft de regering aan welke extra maatregelen ze neemt om volgend jaar het begrotingstekort terug te brengen tot net onder de afgesproken Europese limiet van 3 procent van het bruto nationaal product (bbp). Minister Jan Kees de Jager (CDA) diende ze eind april op het nippertje in, daags nadat het kabinet erover was gestruikeld.

De vraag is of Rehn die berekeningen, een ruwe voorloper van de ontwerpbegroting voor 2013, goed genoeg vindt. Zo niet, dan kan hij De Jager dwingen tot nieuwe onderhandelingen met politieke partijen in Den Haag. In de aanloop naar de verkiezingen van september, die toch al dreigen uit te lopen op een soort referendum over Europa en de euro, is elke aanpassing die de Commissie afdwingt potentieel politiek dynamiet voor Den Haag én Brussel.

Dit is hét grote verschil met vorig jaar. Toen leek vooral Rehns aanbeveling om de hoge kosten van files op de Nederlandse wegen naar beneden te krijgen, in Den Haag verontwaardiging op te wekken. Maar nu heeft de crisis Nederland bereikt. Ineens heeft het land dat het hardst riep om volautomatische sancties voor ‘begrotingszondaars’, zich zélf niet gehouden aan het tracé dat de Commissie had uitgestippeld om het tekort in 2013 onder de 3 procent te krijgen.

Vorig jaar had Rehn de instrumenten nog niet om landen te dwingen die aanbevelingen op te volgen. Nu heeft hij ze wel: het zogeheten sixpack is intussen van kracht geworden. Door dit sixpack – een pakket van zes Europese wetten – kan een land moeilijk sancties meer ontlopen, als Rehn die voorstelt. Vroeger moesten sancties door tweederde van de landen worden goedgekeurd. Als er een paar ministers niet meestemden, was het noodlot zo afgewend. Frankrijk en Duitsland organiseerden dat vrij makkelijk, in 2003. Sancties waren sindsdien een wassen neus: de Commissie dreigde er niet eens meer mee. Dat is veranderd. Een land moet tweederde van alle stemmen mobiliseren om sancties af te wenden.

Technisch is het dus makkelijker geworden om een land te straffen. Maar politiek is het juist minder simpel dan het vroeger was. Door de crisis levert Europa nu een existentieel gevecht met zichzelf. Vrijwel iedereen haalt fors de broekriem aan. Na een paar jaar bezuinigen en hervormen beginnen burgers zich te verzetten. Je ziet het van Griekenland tot Nederland en Frankrijk: steeds meer kiezers geven Europa de schuld van alle malaise. Olli Rehn staat voor een enorm dilemma. Dit is de vuurdoop van het sixpack; hij moet bewijzen dat het werkt. Maar wat technisch goed is voor de eurozone of de hele EU, kan politiek desastreus zijn. En omgekeerd.

Het kan dus spannend worden, morgen. Niet alleen voor Nederland, dat afgelopen weken naar verluidt achter de schermen druk heeft moeten soebatten met Rehn omdat het begrotingstekort voor dit jaar (2012) volgens Den Haag 0,2 of 0,3 procent lager uitviel dan volgens Brusselse berekeningen. Hier zijn op hoog niveau discussies over gevoerd. „Als we Nederland straffen”, zegt een bron die anoniem wil blijven, „spelen we de heer Wilders in de kaart. Willen we dat?”

Ook voor Frankrijk en Spanje spant het erom. Uit recente economische prognoses blijkt dat het Franse tekort volgend jaar boven de 4 procent uitkomt. Frankrijk zit, net als Nederland, in een ‘correctieve’ procedure: het heeft van Rehn een tijdpad gekregen om het tekort te verminderen. Als Parijs daarvan afwijkt, kan het – net als Den Haag – deze zomer al een boete krijgen: 0,2 procent van het bbp. Technisch is er geen speld tussen te krijgen. Maar is dit fair? De Franse president François Hollande is net aangetreden. Omdat er nog geen parlement is, kan hij pas ná 17 juni met bezuinigingen en hervormingen komen. Moet hij niet extra tijd krijgen?

Ook Spanje is delicaat. Elke paar weken worden de Spaanse cijfers bijgesteld. Het land saneert zich suf. Banken glijden uit, beleggers ontvluchten het land en drijven zo rentes op staatsleningen naar extreme hoogtes. Olli Rehn kan coulant zijn. De regels laten hem alle ruimte om het land bij „natuurrampen of onvoorziene omstandigheden” meer tijd te geven. Maar Spanje wil dat niet, omdat dit het beeld bevestigt van een verloren geval dat gauw naar het noodfonds moet.

Hoe sterk deze dilemma’s zullen doorklinken in Rehns aanbevelingen, zal morgen blijken. Maar dat het een helse klus is geweest om het één tegen het ander af te wegen, is zonneklaar.