Gaan we elkaar echt missen of toch vergeten?

Freelance journalist Marte Kaan gaat met haar man en kinderen voor een paar jaar naar Delhi in India. Afscheid nemen van familie en vrienden – hoe voelt dat als het vertrek nadert?

Missen is iets wat je voelt als iets er niet is. Aldus de mier, een personage uit een verhaal van Toon Tellegen. Hij stelt voor om te onderzoeken of zijn vriend de eekhoorn en hij elkaar zullen missen of dat ze elkaar zullen vergeten. Ze missen elkaar hevig en zoeken elkaar daarom maar snel weer op. „Het klopt”, zei de mier. „Ik mis jou ook. En ik ben je niet vergeten.” Ze zijn nog geen hele ochtend uit elkaar geweest.

Over een week – vanaf het moment dat ik dit schrijf – vertrek ik met man en dochters naar Delhi, India. Acht uur vliegen van huis. Net als de mier en de eekhoorn vraag ik me af hoe dat missen zal voelen. Al in de aanloop naar het afscheid kantelt mijn perspectief.

Zaterdagochtend, nog zeven dagen

Half elf tot half twaalf. Heilig Uur. Dochter is naar dansles en ik wacht in een café met koffie en krant. Niet zomaar een café: hier dronk ik menig glas te veel in de tijd dat ik nog niet elke dag om zeven uur paraat moest staan, ik had er eens ruzie, verbrak er een kansloze relatie, staarde er verliefd in iemands ogen. Ik ken de barman en waardeer het dat hij nooit een praatje met me aanknoopt. Als blijk van herkenning brengt hij me ongevraagd de goede koffie. Een collega-emigrant schreef dat ze zo gelukkig was toen ze iemand haar naam hoorde roepen in haar nieuwe woonplaats. Het meest vervreemdende van elders neerstrijken is niet dat jij die nieuwe wereld niet kent, maar dat die nieuwe wereld jou niet kent, schreef ze.

In de krant staat een stuk over Third Culture Kids: kinderen die op verschillende plekken op de wereld hebben gewoond. Rusteloos zijn ze, Nederland is als een te krappe jas.

Ben ik er ook zo een? Geboren in Afrika, op mijn vierde terug naar Nederland. Niks vergeleken met de jongeren in het artikel: Thailand, Canada, Australië, Zuid-Afrika, en dan nog maar veertien jaar zijn. Zadel ik mijn dochters nu ook op met de neiging tot zwerven? Steeds maar weer kijken wat er achter de volgende grens ligt, willen weten hoe het is om ergens anders te zijn. Maar, stellen de onrustige zielen in het artikel me gerust: het maakt je wel tolerant, opgroeien in zo’n internationale omgeving.

Zondagochtend, nog zes dagen

Ik draai croissants, dochters zitten in bad. Op de radio gaat het over de Matthäus-Passion, er wordt een flard van hoorspel De Bijbeltapes afgespeeld: het stuk waarin Jezus aan zijn apostelen vraagt of ze weten wie hij is. Ik graaf in mijn geheugen – tijdens die paar jaar dat ik naar een katholieke school ging had ik een religieuze oprisping, daar moet toch iets van over zijn? Opeens besef ik hoe vreemd het is dat ik me nu verdiep in talloze hindoegoden, terwijl ik van onze eigen Jezus nauwelijks meer wat weet. Op de radio gaat het over de mate waarin het verhaal van het lijden en het sterven van Jezus verankerd is in onze cultuur. En of dat nu in de muziek zit, of in de tekst. De muziek, zegt de een. Nee, de tekst, zegt de ander, vooral dat stukje waarin wordt gevraagd om te worden geholpen bij het klagen, die verheerlijking van het lijden, dat is typisch voor onze cultuur.

Net zoals mensen slechte beoordelaars zijn van, bijvoorbeeld, de staat van hun relatie, is het moeilijk te zien wat typisch is voor een cultuur waar je zelf deel van uitmaakt – een belangrijk motief om te vertrekken.

Maandag, nog vijf dagen

Uitschrijven bij de gemeente. Dochter van één moet mee, wegens geen oppas. Ik zet haar op de balie, ze gooit het mandje met nummertjes om terwijl de gemeenteambtenaar formulieren invult, wat kopieert en hier en daar een stempel zet. De ambtenaar zegt dat onze gegevens worden bevroren. Ik zie het voor me, onze data on hold te midden van doortikkende cijfers die geboortes, sterfgevallen en huwelijken markeren. En dan straks een data-gat dat je de rest van je leven blijft achtervolgen. Ik ontdekte onlangs dat ik geen geldig geboortebewijs heb – acht maanden en een slordige twee honderd euro kost het om dat recht te zetten. Wanneer we het gemeentehuis uitlopen voelt het alsof we er nu al niet meer helemaal bijhoren. Ik denk aan de Mauro’s in en buiten ons land. Wat daarnet in dat gemeentehuis gebeurde is van een onbeschrijfelijk luxe.

Dinsdag, nog vier dagen

Fietsend door de stad – langs de Amstel, Carré, de Magere Brug over, kriskras over de grachten richting Westertoren – word ik overvallen door het gevoel door een museum te fietsen. Voor het Anne Frank Huis staat zoals altijd een lange rij. Vijf jaar lang woonde ik er twee minuten lopen vandaan. Nooit binnen geweest. Zal ik straks in Delhi alle historische hoogtepunten bezoeken, of ook na een paar jaar vertrekken zonder het Rode Fort van binnen te hebben gezien? Na mijn afspraak maak ik een omweg om Multatuli gedag te zeggen. Nu pas zie ik wat een indrukwekkend beeld het is, hoe dat verwilderde, markante hoofd zo soeverein op zijn sokkel boven de hoofd van voorbijgangers uit torent.

Woensdag, nog drie dagen

Boodschappen doen bij de te dure biowinkel op de hoek. Ik vertel de Turkse man van het brood dat we over een paar dagen vertrekken. Hij zet extra sterke koffie voor me, stopt mijn dochter een dik stuk kaas toe en trekt haar afgezakte sokjes omhoog. Als we afscheid nemen zeg ik ‘tot over een paar jaar!’ Ik vraag het me af. Het besef dat er waarschijnlijk een heleboel mensen zijn die ik voor het laatst zal zien, komt met een dreun binnen. Juist de mensen die je niet goed kent, maar die bij je leven zijn gaan horen als de lucht.

Donderdag, nog twee dagen

Ons afscheidsfeest. Een feest als alle anderen. Maar dan, het uur voordat we tent uit zullen worden geveegd, krijg ik het op mijn heupen. De hele avond praat ik beleefd met iedereen, maar niet met mijn meest dierbare vrienden – zoals dat vaak gaat, hen hoef je immers niet te vermaken. Maar juist hen zal ik missen. Ik onttrek me met een smoes aan een gesprek en ga bij mijn vrienden staan. Daar wordt even met geen woord over mijn vertrek gerept maar hard gelachen om grappen die alleen voor ons grappig kunnen zijn. Over missen gesproken.

Vrijdag, laatste dag

Vandaag nemen onze dochters afscheid van de crèche. Tegen dit moment heb ik vreemd genoeg het meest op gezien. De oudste, drie, heeft de dag van haar leven: ze heeft een kroon, heeft uitgedeeld en krijgt een cadeau. Haar zus van één heeft niets door, voor haar is het een dag als alle andere waarop ze wordt verzorgd door haar leidsters, twee donkere schonen. Ze worden uitgezwaaid met zakdoekjes, de oudste krijgt snotkussen van haar groepsgenootjes en de leidsters knuffelen de kinderen plat. Als we door het park terug naar huis lopen zeg ik tegen de oudste dat we nu echt naar India gaan. Ze knikt en ik krijg een brok in mijn keel.

Mijn dochters zijn als de mier en de eekhoorn: geen idee wat missen is. Alleen kunnen zij niet terugrennen als ze iets voelen wat er niet is. Ze zullen ontdekken dat missen, in de meeste gevallen, vroeg of laat eindigt in vergeten – waarschijnlijk een belangrijke reden dat de meeste mensen zich tegen afscheid nemen verzetten. Terwijl weggaan nu juist zo heilzaam kan zijn. Je ziet de schoonheid van dingen waar je elke dag gedachteloos langsloopt, voelt wie en wat er echt belangrijk voor je is. En wat dat vergeten betreft: wat goed is, blijft. De rest is ballast.