Een wedstrijdje academisch ver plassen

Recente gevallen van wetenschapsfraude hebben het debat over publicatiedruk en wetenschappelijke integriteit flink aangewakkerd. De samenwerkende universiteiten en de commissie-Schuyt, die de fraude van psycholoog Stapel onderzocht, werken aan gedragscodes voor wetenschappers. Binnenkort brengen ze hun regels naar buiten.

Tik in het zoekveld van de medische databank PubMed de naam ‘Rosendaal FR’ eens in, klinisch epidemioloog in Leiden. De leek ziet een saaie opsomming van artikelen, zeventig kantjes lang. Een geoefend oog ziet op elke pagina namen van wetenschappelijke toptijdschriften: The Lancet, The New England Journal of Medicine, Blood, JAMA. En zelfs een keertje Nature. Indrukwekkend. Maar verder?

De publicatielijst van de wetenschapper is de gortdroge samenvatting van zijn academische leven. Er valt niet uit op te maken op welk artikel hij maanden heeft zitten broeden en welk artikel hij maar één keer heeft gezien. Wat is voortgekomen uit een briljant inzicht van hemzelf, en wat uit dat van een collega. Waar hij wakker van heeft gelegen. Waar hij ruzie over heeft gemaakt. Waar hij zich voor schaamt. Zo’n lijst zegt heel weinig.

En toch is het zijn belangrijkste wapen. Een lange lijst dwingt respect af bij collega’s en bestuursraden. Het is zijn ticket naar betere universiteiten, een hoger salaris, meer promovendi, betere faciliteiten en nog meer publicaties.

Niet gek dat sommigen er alles aan doen om die lijst langer en beter te maken. Publicatiedruk is de term die bij elk nieuw geval van wetenschapsfraude opduikt. Onder die druk halen wetenschappers trucs uit. Ze spreken met collega’s af elkaar bij elke publicatie co-auteur te maken. Ze zetten hun naam op alle artikelen van de promovendi van de afdeling. Ze hakken één onderzoek in vier publicaties op. Dubieus? Wellicht. Gangbaar? Zeker.

Maar wat is normaal? De vraag gaat naar Frits Rosendaal (1959). Zijn lijst is 603 publicaties lang. Hij wordt vaak geciteerd. Hij heeft altijd een grote mond over terecht en onterecht auteurschap, zegt hij zelf, en daarom wil hij wel uitleggen hoe zijn naam 603 keer op zijn lijst is gekomen. De verslaggever doet een steekproef, hij zal antwoorden.

Op het eerste kantje van de zeventig meteen al een grote publicatie. In 1989 in de British Medical Journal. Rosendaal FR staat op nummer twee, voor vier andere namen, na Smit C., van de patiëntenvereniging. Het was een onderzoek naar het welbevinden van Nederlandse hemofiliepatiënten. Hij was nog promovendus, dus kwam zijn naam vooraan in de auteurslijst. Dat gaat meestal zo. Moest hij wel het meeste werk doen: de adressen van alle hemofiliepatiënten in Nederland verzamelen, vragen afnemen, data analyseren, het artikel schrijven.

Tien publicaties verder staat Rosendaal FR in The Lancet, als eerste auteur. Hier is hij trots op. De vraag was: moet je mensen met een bepaalde zeldzame afwijking waar je trombose van kunt krijgen, hun hele leven bloedverdunners geven? Is dat middel niet erger dan de kwaal? Niet te checken, want patiënten zijn er nauwelijks. Rosendaal bedacht met een collega dat ze ook overledenen konden meetellen, omdat de afwijking overerft. Kwestie van stambomen en sterfdata uitzoeken en vergelijken met de toen gangbare levensduur. Zelf gedaan.

En toen vond de groep in Leiden de genetische afwijking factor ‘V Leiden’, een veelvoorkomende oorzaak van trombose. En dat de pil dat allemaal verergert. Konden ze eindeloos met z’n allen over publiceren in vakbladen. Fantástische jaren.

Hoe dieper in de lijst, hoe verder Rosendaal FR naar achteren schuift. Eerst naar de tweede plaats, gereserveerd voor de postdoc die de promovendus dagelijks begeleidt. Dan naar de laatste plaats waar de aanvoerder van het onderzoek staat, de eindverantwoordelijke.

Het werk verandert mee. Schreef hij in 1993 nog zelf een computerprogramma om bloedwaardes bij bloedverdunners te berekenen (hoefde je minder vaak te prikken), later leert hij anderen hoe ze die methode kunnen gebruiken. Stuurde hij eerst zelf vragenlijsten rond, jaren later laat hij dat door promovendi doen, en die laat hij weer door een postdoc begeleiden. Eens in de paar weken gesprekken met zijn onderzoekers voeren, zich tegen de vragenlijsten en data aan bemoeien, en de laatste twee, drie versies redigeren. Levert allemaal een Rosendaal FR op.

Zo groeien publicatielijsten in de medische wetenschappen. Maar zo groeien ze niet overal. Een discussie over terecht en onterecht auteursschap kan alleen per vakgebied worden gevoerd, zeggen universitaire integriteitscommissies. Medici voeren nooit analisten op als auteur, chemici soms wel. Juristen publiceren alleen, en bedanken hooguit iemand in een voetnoot. Elementairedeeltjesfysici zetten honderden mensen van hun instituut op een artikel, én de geldschieter. Genetici maken iedereen die DNA-sample instuurt auteur.

Ja, dat is de reden dat die genetische analyse in Diabetes uit 2011 op Rosendaals lijst staat. Totale verrassing. In de genetica is een naam vaak ruilmiddel. Als jij mij auteur maakt, stuur ik jou stalen. Oneerlijk? Tsja, je kan ook niet zeggen dat alleen degene die alles samenvoegt de bedenker is. Tikje overdreven is het wel.

Waar staat Rosendaal FR nu? Vanaf 2000 springt hij steeds vaker een paar plaatsen terug in het rijtje auteurs. Naar het midden, waar niet de leiders van het onderzoek, maar de leiders van de grote programma’s staan.

Hij is inmiddels hoogleraar en afdelingsleider. De lijst groeit elk jaar met zo’n veertig publicaties. Minder dan de bekritiseerde cardioloog Bax, die omgerekend één artikel per twee werkdagen publiceerde, maar toch veel.

Het kán, veertig publicaties waar je echt werk in steekt, zegt Rosendaal. Als je een coherent onderzoeksprogramma hebt, een stapel studies met veel patiënten, goede promovendi en goede postdocs, dan komt het vliegwiel op gang. Weer een anticonceptiepil op de markt? Weer een test, nog een publicatie.

Twee artikelen per week redigeren kost zes uur, een zondagmiddagklus. Daarnaast moeten ook begeleidingsgesprekken worden gevoerd, ideeën bedacht, fondsen aangevraagd, een afdeling bestuurd. Meer publiceren dan dit kan niet, zegt hij, tenzij je aanschuift bij triviale onderzoeken. Zoals die ene op zijn lijst, dat obesitas óók voor hemofiliepatiënten een probleem is. „Eigenlijk totaal irrelevant.”

Nee, er staat geen artikel op zijn lange lijst dat niet door hem is geredigeerd. Nou ja, die verrassing in Diabetes dan. En die grootschalige analyse van vaatziekten uit 2011 in Nature Genetics, met bijna tweehonderd auteurs.

Hoe indrukwekkender de lijst, hoe meer Rosendaal FR een stempel van goedkeuring wordt, dat helpt om geld binnen te halen of een artikel gepubliceerd te krijgen. En hij weet veel van methodologie. Wil hij soms geen co-auteur worden? Iets met tumoren (2004)? Hoge bloeddruk bij zwangeren (2005)? Darmkanker (2007)?

Een paar van de 603 artikelen had hij liever niet op zijn lijst gehad. Te laat om advies gevraagd, zegt hij. „En dan komen de resultaten en dan vind je ’t shit.” Soms probeert hij het onderzoek recht te trekken. Als dat lukt, laat hij Rosendaal FR staan. Soms zegt hij: „Dit past toch niet helemaal bij mij.”

Het gaat om hoe goed je lijst is, niet hoe lang. Dat leerde hij van zijn promotor. „Als ik één of twee keer in een toptijdschrift sta, is het jaar geslaagd.” Hij vraagt zich af of veel fraudegevallen wel écht door publicatiedruk komen. Misschien bij jonge mensen aan het begin van hun carrière, nu sommige subsidieverstrekkers beurzen aan personen toekennen. Of omdat universiteiten ingewikkelde scoresystemen hanteren, waarbij de eerste auteur meer punten krijgt. „Dat perverteert het systeem”. Maar bij mensen die al goed op weg zijn, denkt hij, lijkt de race om de langste lijst toch het meest op een wedstrijdje wie het verst kan plassen.

Carola Houtekamer