De Bovenbazen (18)

‘Zo’, mompelde hij. ‘aws is de baas van het pompstation, hè? Omdat hij een oliekoning is. Ja, ja! En nu wil jij beweren dat je onze kleine weddenschap gewonnen hebt. Het is fraai!’

‘Het is toch zo?’ zei Tom Poes. ‘Eerlijk is eerlijk!’

Heer Ollie remde wat schokkerig voor slot Bommelstein en steeg uit.

‘Dat is nu lelijk van je’, zei hij met ingehouden toorn. ‘Gun je me de duit niet die ik van je gekregen heb? Door dat muntstukje ben ik in de Bovenste Tien gesprongen en daardoor heb ik nu de ddt waar ik veel goeds mee kan doen. Maar nee, de jonge vriend misgunt me dit kleine genoegen!’

‘O, nee, ’ zei Tom Poes. ‘Ik wilde alleen maar…’

‘Zwijg!’ riep heer Bommel uit.

Een lelijk trekje ontsierde zijn ooghoek en zijn stem sloeg over toen hij vervolgde: ‘Het is nu te laat! Ik kan je die duit niet teruggeven, want in de handleiding voor bovenbazen staat dat ik geen geld mag wegschenken!’

‘Hm’, zei Tom Poes. ‘Ik wilde u alleen maar redden van die Bovenste Tien. Daar komt ellende van. En als u mij nu die duit…’

‘Genoeg!’ riep heer Ollie. ‘Geen woord meer. Je bent een schrieperig ventje, dat het niet hebben kan dat zijn beste vriend een onschuldig genoegen bereid wordt. Ik schaam me voor je. En bovendien mag ik eigenlijk niet omgaan met onvermogenden!’

‘Hm’, zei Tom Poes. Hij keerde zich om en liep zonder groeten weg.

Heer Bommel staarde hem inzakkend na.

‘Eh zo bedoel ik het niet…,’ prevelde hij. ‘Ik bedoel alleen maar… Ach, waarom begrijpt hij nu niet wat ik bedoel?’