Blair vreesde strijd met de pers

Als premier liet Tony Blair de ‘ongezonde macht’ van de pers ongemoeid, vertelde hij gisteren. Maar hij sprak zijn vriend Murdoch wel tegen.

Het was alsof Tony Blair nooit was weggeweest. Dezelfde handgebaren, dezelfde uitdrukkingen, alleen was de oud-premier wat grijzer. „Kijk”, zei hij tegen de rechter, zoals hij tot vijf jaar geleden in het Britse Lagerhuis sprak: redelijk, kalm, met een ontwapenende glimlach. En onverstoorbaar, zelfs toen gisteren een demonstrant de rechtbank binnenviel en hem beschuldigde van oorlogsmisdaden in Irak. Maar misschien kwam dat ook omdat die zijn protest begon met de typisch Britse woorden „Excuse me”.

Blair getuigde voor rechter Brian Leveson over zijn relatie met journalisten. Leveson onderzoekt op last van de regering-Cameron of na het afluisterschandaal rond tabloid News of the World de pers moet worden gereguleerd. Blairs getuigenis was interessant, omdat diens premierschap draaide om zijn verhouding met de media, om presentatie en ‘spin’.

Volgens de oud-premier bestonden – en bestaan – er inderdaad innige banden tussen politici en pers. Dat is volgens hem onvermijdelijk, en zelfs noodzakelijk en juist. Hij verwees naar Amerikaanse kranten als The New York Times en The Washington Post die in hun hoofdcommentaren partij kiezen, maar in hun verslaggeving objectief blijven.

De Britse pers is „rauw, hondsbrutaal en onbehouwen” en stort zich volgens Blair als „wilde dieren” op politici. De grens tussen commentaar en verslaggeving is vaag, de relatie tussen politici en pers onevenwichtig. „Het gevolg is dat een politicus die in ongenade valt bij een deel van de media, een ernstig probleem heeft dat mogelijk een einde maakt aan zijn politieke leven.”

Dus nam hij „de strategische beslissing” om die „ongezonde macht” niet te beperken. Anders had hij geen enkel plan kunnen uitvoeren: „Ik zou verwikkeld zijn geweest in een titanenstrijd met ongelooflijk machtige media, die er niet voor terugdeinsden om mij met al hun wapens aan te vallen.”

Maar dat betekende niet dat hij naar het pijpen danste van mediamagnaat Rupert Murdoch. Blair wuifde die beschuldiging weg alsof aanklager Robert Jay iets geks had gezegd – terwijl hij de peetvader is van een van Murdochs kinderen. Rustig legde de oud-premier uit dat Murdochs kranten in 1997 Labour weliswaar waren gaan steunen, maar dat daar niets tegenover had gestaan. „We besloten vaker in zijn nadeel”, zei Blair. En over Europa zouden de twee mannen het bijvoorbeeld nooit eens worden. Blair is Europeaan, Murdoch verafschuwt de EU.

Het opmerkelijkste kwam aan het einde van het verhoor – en niet van Blair, maar van rechter Leveson. Die liet voor het eerst doorschemeren hoe hij over persregulering denkt. Er moet een instantie komen die onafhankelijk is van de regering, het parlement en de pers, die wordt gerespecteerd door de media en het publiek, en die sancties kan opleggen.

Hij vroeg Blair mee te denken over zo’n instantie. Blairs tegenstanders, die hoopten dat diens rol in de Britse politiek was uitgespeeld, zaten waarschijnlijk knarsetandend achter de televisie. Maar de oud-premier knikte, en schreef het huiswerk van de rechter ijverig op.