Angst voor verval scherpt de blik

‘Een mens kan nooit bang genoeg zijn.” Toegegeven, er zijn lichtvoetiger manieren om te beginnen, maar de Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline, van wie de aanhaling afkomstig is, had enig recht van spreken. Elders in zijn Reis naar het einde van de nacht merkt hij nog op: „Filosoferen is alleen maar een andere manier van bang zijn en leidt eigenlijk uitsluitend tot laf gehuichel.”

Dat is een nuttige waarneming, nu het gejeremieer over ‘angst’ niet van de lucht is. Overal zoemt het woord rond: we zouden leven in een bang en naar binnen gekeerd land. Cabaretiers, journalisten, ambassadeurs en politici, allemaal weten ze zeker dat we ons door vrees laten leiden. Sommigen zien daarin zelfs een gevoel dat de hele westerse wereld kenmerkt. In het Verre Oosten heerst de hoop, aan onze kant de angst.

Aan die psychologisering van het wereldbeeld kleven bezwaren. Zo’n duiding van de samenleving suggereert gevoelsmatige nabijheid, maar schept eigenlijk afstand. Het gaat immers altijd over de angst van anderen, die in de greep zijn van onbewuste motieven, om niet te zeggen waanvoorstellingen. Daarmee eindigt het gesprek voordat het is begonnen. Want wie kan zich verweren tegen wantrouwen dat is gericht op zijn beweegredenen?

Maar als we dan toch over al dan niet bewuste motieven willen spreken, dan zou in een open samenleving het uitgangspunt moeten zijn dat de vrees van de één de hoop van de ander is. Vroeger noemden we dat democratie. Namelijk het vermoeden dat verschillende mensen op een verschillende manier naar de wereld kijken, omdat belangen en opvattingen nu eenmaal uiteenlopen.

Een beetje zelfonderzoek kan geen kwaad. En dan blijkt al snel dat angstbeelden gemeengoed zijn. Aanhangers van Europa die zeggen dat het weer oorlog wordt als de euro omvalt, roepen evenzeer een onheilsvisioen op als de tegenstanders van diezelfde euro. De meer dan een miljoen mensen die in de jaren tachtig demonstreerden tegen de plaatsing van nucleaire wapens werden gedreven door vergelijkbare zorgen als de voorstanders van plaatsing. De angst voor Amerika was even groot als die voor Rusland.

Het is wel duidelijk dat de benauwenis aan alle kanten voorkomt. Angst heeft een slechte reputatie, maar blijkt onontbeerlijk, al was het maar om de blik te scherpen, zoals de Poolse schrijver Ryszard Kapuscinski ooit opmerkte: „Angst heeft grote ogen.” Zijn veelgeprezen vermogen om te observeren – denk aan zijn beroemde boek over de nadagen van keizer Haile Selassi van Ethiopië – had alles te maken met een gevoel van dreiging dat hem nooit verliet.

Hij wist ook dat mensen pas de gebaande paden verlaten door zich een voorstelling te maken van een slechte afloop. Eigenlijk vloeien alle grote hervormingen voort uit een mengeling van angst en hoop. Zo speelde – naast morele overtuiging – de vrees voor maatschappelijke onlusten een rol in de opkomst van de sociale zekerheid. De poging om een oplopende klassenstrijd te dempen, leidde tot herverdeling tussen arm en rijk.

Zulke verontrusting is een wezenlijk motief voor maatschappelijke verandering. Een zeker cultuurpessimisme is nodig om de verbeelding telkens weer te prikkelen met voorstellingen van verval. De geschiedenis leert immers dat beschaving tamelijk dun is en gemakkelijk breekt als het tegenzit. Zonder dat pessimisme raakt het aanpassingsvermogen van een samenleving sleets.

Misschien is het grootste probleem van onze tijd dat de angst niet meer verbonden is met hoop op verbetering en steeds meer tot behoudzucht leidt. De vraag is dus niet waarom er angst bestaat in het publieke leven, die is er namelijk altijd. De vraag zou moeten zijn: waaraan ontlenen we hoop? Aan die kwestie komen de polemisten tegen bang Nederland nooit toe, want ze hebben het te druk met de drijfveren van anderen.

Iemand aan wie ik hoop ontleen, is de onlangs overleden Tsjechische schrijver, dissident en politicus Vaclav Havel. Zijn levensverhaal staat voor de volharding van een dissident die ervan overtuigd was dat hij nooit de val van het communisme zou meemaken. Van hem kunnen we leren dat hoop niet hetzelfde is als geloven in een goede afloop: „Hoop is een geestesgesteldheid, geen wereldgesteldheid.” Aan het succes in de buitenwereld kan men niet alles afmeten: er zijn zaken waarvoor het waard is risico’s te nemen, ongeacht wat ermee wordt bereikt.

En ook bij hem blijken hoop en angst hand in hand te gaan. Aan het einde van zijn memoires karakteriseert hij zichzelf als een rebel die licht in paniek raakt en zelfs schrikt als de telefoon rinkelt: „Ik ben altijd bang voor iets en zelfs de moed die men mij toedicht komt voort uit angst; angst voor mijn eigen geweten, dat er behagen in schept me te kwellen met mijn echte en denkbeeldige mislukkingen.” Zo gezien kan een mens inderdaad nooit bang genoeg zijn.