Wie verzint ADHD?

ADHD en autisme zijn modeziekten, schreef psychiater Hans van de Ploeg, maar ze zijn er altijd al geweest. Alleen komen ze meer aan het licht in deze samenleving, die volgens Malou van Hintum hogere eisen stelt.

Illustratie Ares

Psychiater Hans van der Ploeg veegde in NRC Handelsblad de vloer aan met diagnoses als ADHD en autisme. Op 22 mei schreef hij: „Mensen hebben last van modeziekten omdat ze zich die laten aansmeren én omdat hun omgeving, of zijzelf, er belang bij hebben, door ‘secundaire ziektewinst’.”

Er zijn er meer die denken als Van der Ploeg. Zo afficheert de Groningse psycholoog Laura Batstra in haar recent verschenen boek Hoe voorkom je ADHD? Door de diagnose niet te stellen oudervereniging Balans als een marionet van de farmaceutische industrie die moedwillig misleidende informatie verspreidt over ADHD. Waarom ouders van kinderen met ontwikkelings- en gedragsstoornissen dat zouden willen, is mij een raadsel.

Wie heeft er belang bij modeziekten? Niet de patiënten die eraan lijden, ook al suggereert Van der Ploeg van wel. Uit het feit dat elke periode in de geschiedenis zijn eigen (variant op) ziektebeelden kent, concludeert hij dat mensen met zulke klachten ‘als in de supermarkt winkelen, op zoek naar een passende ziekte’.

Dat is een misvatting. Betekenis geven aan gedrag en gevoelens is voor mensen heel normaal. Alleen, de terminologie waarmee dat gebeurt verandert in de loop van de tijd. Het soort gedrag dat nu het label ADHD krijgt, een modeziekte die eerder bekend stond als minimal brain damage en minimal brain disorder, werd meer dan honderd jaar geleden al beschreven. Dat we dat gedrag nu beter zien dan vroeger, is omdat het dankzij toegenomen medisch begrip en hogere maatschappelijke eisen zichtbaarder is geworden.

Een vervelende druktemaker die voortdurend ruzie maakt met andere kinderen, krijgt nu niet meer de schuld van zijn sociaal onwenselijke gedrag. We begrijpen dat kinderen zichzelf niet expres zo onmogelijk maken dat ouders voortdurend boos op hen worden en andere kinderen hen pesten of negeren. Want dat doet pijn, en echt ook: in de hersenen wordt bij sociale uitsluiting hetzelfde gebiedje actief als bij fysieke pijn.

Mensen zeggen wel eens: waar waren al die ADHD’ers vroeger dan? Alsof ze er toen niet waren. Maar vroeger waren ze er ook, zoals we in het proefschrift van Angela Crott Van hoop des vaderlands naar ADHD’er kunnen lezen. Toen verdwenen heel drukke kinderen echter al snel uit de klas, de leerplicht was minder lang, in het onderwijs waren ambachtelijke vaardigheden vaak belangrijker dan theoretische vorming, en er was voor zulke kinderen meer fysieke ruimte waar ze hun energie kwijt konden.

Toch vindt Crott dat kinderen nu te vaak de diagnose ADHD krijgen. Ook dat is een misvatting. Vroeger konden kinderen met problemen gemakkelijker meekomen, zowel in het onderwijs als in de maatschappij. Tegenwoordig moet zowat iedereen met computers kunnen omgaan en iets begrijpen van moderne technologie. De uitrusting van schoonmakers bestaat allang niet meer uit een poetslap en een bezem.

Dat ADHD in moderne westerse landen vaker problematisch is dan vroeger, komt omdat we in een maatschappij leven die van mensen – en zelfs van kinderen – verlangt dat ze snel kunnen switchen, flexibel zijn, maar tegelijk overzicht kunnen bewaren, kunnen plannen en focussen. Zelfs voor relatief eenvoudig werk zijn meer competenties en eigen initiatief nodig dan vroeger. Als je dan hyperactief bent, impulsief en je slecht kunt concentreren, heb je daar in het huidige onderwijssysteem en op de huidige arbeidsmarkt veel meer last van dan enkele decennia geleden. Er zijn minder mogelijkheden om te ontsnappen, en minder alternatieven – zoals ongeschoolde arbeid op het land of in de fabriek – waarin je je draai wel kunt vinden.

Daar komt bij dat kinderen die vroeger als ‘vervelend’ of ‘druk’ golden, vaak slaag of straf kregen om hen te disciplineren. Dat willen we tegenwoordig niet meer. We meppen ongewenst gedrag er niet meer uit, maar proberen het te veranderen door het te begrijpen. Beschaving heet zoiets, en dat is vooruitgang.

Bij deze kinderen speelt onvermogen in de regel ook een veel grotere rol dan onwil, zo weten we uit voortschrijdende ontwikkelingspsychologische en neurocognitieve inzichten. Meppen is behalve hardvochtig, dus ook niet zinvol.

Trouwens, waarom zou ADHD wel een modeziekte zijn, en iets als dementie niet? Alsof een hyperactief iemand niet eigenlijk het liefst wil doen wat anderen doen: gewoon kunnen lopen, horen, zien en ademen.

Het tempo waarin we leven en werken ligt hoog, de sociale en maatschappelijke onzekerheden zijn groot, terwijl sociale vangnetten afbrokkelen of zelfs verdwijnen. Dat betekent dat individuele gevoeligheden ook sneller en bij meer mensen worden getriggerd.

Daar komt bij dat sociaal-maatschappelijke problemen worden geïndividualiseerd en gepsychologiseerd, in plaats van politiek gedefinieerd en opgelost. De overheid trekt, onder het mom van ‘individuele verantwoordelijkheid’ zijn handen juist steeds meer van ons af; en dat zadelt mensen met tekortschietende competenties op met extra lichamelijke en psychische problemen.

De verscherpte maatschappelijke eisen zullen er in de toekomst toe leiden dat meer mensen chronische stress ondervinden. Als we er niet in slagen ons daar mentaal tegen te wapenen en de mensen te ondersteunen die daar zelf onvoldoende voor zijn geëquipeerd, zal het aantal mensen met psychische stoornissen onvermijdelijk toenemen. Dat is niet wat ze zelf willen. En dat is ook niet hun schuld.

Malou van Hintum is journalist en auteur van het boek Doe eens normaal. Over zin en onzin van psychiatrische diagnoses, dat komende week verschijnt.