Werden Neanderthalers verliefd? Wat droomden ze?

How to Think Like a Neandertal Thomas Wynn en Frederick Coolidge; Oxford University Press; 210 blz. €19,99

Zou je een Neanderthaler herkennen als ze in een jurkje naast je staat, wachtend op de trein naar Den Bosch? Of als hij aanschuift in de rij bij de kassa, geschoren, geknipt en met een mandje vol vleeswaren?

Waarschijnlijk wel, al zou je eventjes onbeleefd moeten staren om helemaal zeker van je zaak te zijn. Vooral de wenkbrauwrichel, het lange, platte gezicht en de brede neus verraden het. Subtielere verschillen zijn het platte, grote schedeldak, de geringe lichaamslengte en de gespierde torso.

Het is het eerste gedachte-experiment in How to Think Like a Neandertal. Een opwarmertje. Waar het de auteurs Thomas Wynn en Frederick Coolidge, respectievelijk hoogleraar antropologie en hoogleraar psychologie aan de University of Colorado, écht om gaat is het karakter van de Neanderthaler, zijn psyche.

Werden Neanderthalerpubers verliefd? Zaten ze ’s avonds rond het kampvuur, vertelden ze elkaar verhalen? Waar droomden ze van? Rouwde een Neanderthalervader om zijn verloren kind? En wat gebeurde er toen ze 40.000 jaar geleden oog in oog kwamen te staan met de ander, met Homo sapiens?

Gevaarlijke vragen, voor twee wetenschappers die serieus genomen willen worden. Gedachten verstenen niet. Om hun verkenning van de Neanderthalerpsyche binnen wetenschappelijke banen te leiden, legden Wynn en Coolidge zichzelf spelregels op. Uitgangspunt zijn steeds de tastbare bewijzen, de beenderen, de werktuigen, gezien door de lens van de moderne psychologie en antropologie.

Sporen zijn er genoeg. How to Think Like a Neandertal voert langs de simpele Neanderthalergraven, de woongrotten waar familiegroepen voedsel deelden, de uitstekende rotspunten waaronder jagers scholen voor de regen en de nacht, en de grotten van Moula-Guercy, Franse Ardèche, waar Neanderthalerkannibalen een slachtpartij onder soortgenoten aanrichtten.

Zijn leefgebied was niet groot, maar de Neanderthaler kende het op zijn duimpje. Waar hij kon, gebruikte hij het landschap in zijn voordeel. Neem de kliffen van La Cotte de St Brelade (Jersey). Neanderthalers brachten een kudde mammoeten op hol en joegen de dieren over de rand van de kliffen. Zo’n jachtpartij vereist planning, coördinatie tussen de jagers en een goed langetermijngeheugen.

Gecombineerd met zijn durf maakte dit de Neanderthaler tot het gevaarlijkste roofdier van de Europese toendra. ‘Moderne’ mensen joegen vooral op middelgrote prooien als gazelles en herten, die ze van een afstand doodden, maar Neanderthalers gingen zelfs mammoeten en neushoorns met steeksperen te lijf, met gevaar voor eigen leven. Neanderthalerbeenderen vertonen opvallend veel sporen van botbreuken en schedelfracturen, veel meer dan de botten van vroege Homo sapiens. Vaak zijn de verwondingen geheeld: gewonde jagers moeten zijn verzorgd door hun naasten.

Het karakterprofiel dat Coolidge en Wynn hieruit destilleren is dat van een moedig, stoïcijns en empathisch volk. Maar ook pragmatisch, en weinig creatief. Terwijl Neanderthalers millennialang stenen tegen elkaar sloegen, experimenteerden onze voorouders in Afrika met speren, vissersgerei en pijl en boog.

Een paar keer vliegt het duo uit de bocht. Zoals in het hoofdstuk over taal, waarin ze opperen dat Neanderthalers bovengemiddeld veel spreekwoorden bezigden. Dat is geen ramp – Coolidge en Wynn maken steeds duidelijk welke aannames ze doen om tot hun conclusies te komen.

De overeenkomsten tussen wij en zij zijn talrijker dan de verschillen, dat maakt How to Think Like a Neandertal wel duidelijk. Toch zijn het juist de verschillen, hoe subtiel ook, die fascineren. De Neanderthaler is het troebele spiegelbeeld, de vage herinnering die laat zien dat er niet één manier is om mens te zijn. Misschien is het grootste euvel van dit boek dat er na de laatste pagina meer vragen resten dan de wetenschap ooit beantwoorden kan. Zou een Neanderthaler huilen, als hij over zijn eigen uitsterven las?

Lucas Brouwers