Wat een vis kost - en wat een soort waard is

Biologie De nijlbaars in het Victoriameer levert geld op, maar de cichliden die hij allemaal opat waren van onschatbare waarde.

Tijs Goldschmidt

A man carries a Nile Perch of 80 kilograms on May 30, 2008 in Kasinyi, Entebbe, Uganda. Nile perches were introduced to Lake Victoria and several other lakes in Africa. The World Environment Day is commemorated each year on 5 June. AFP PHOTO/Walter ASTRADA AFP

Op 10 maart van dit jaar stond er in deze bijlage een groot artikel van Dirk Vlasblom over de bevindingen van de antropoloog Joost Beuving die de afgelopen jaren in totaal acht maanden veldonderzoek deed bij de lokale vissers rondom het Victoriameer. Deze vissers zijn gespecialiseerd in de kleinschalige vangst van voornamelijk nijlbaars (Lates niloticus), een roofvis van het open water die in de jaren vijftig en zestig, tegen het nadrukkelijk advies van Britse ecologen als Geoffrey Fryer in, werd uitgezet in het enorme Victoriameer (circa tweemaal de omvang van Nederland).

De jonge nijlbaarsjes waren afkomstig uit het naburige Albertmeer en het Keniase Turkanameer. Het idee was dat de nijlbaars, die reusachtige afmetingen kan bereiken, zoals op enkele Egyptische hiërogliefen al te zien is, voor (post)koloniale sportvissers een spannende uitdaging zou vormen en bovendien een goede consumptievis zou zijn voor de lokale bevolking. De nijlbaars kon zich mooi voeden met de inheemse cichliden die tachtig tot negentig procent van de visbiomassa in het meer uitmaakten. Al waren deze baarsachtige visjes nog zo kleurrijk en interessant voor evolutionair biologen, voor consumptie waren ze niet ideaal: meestal kleiner dan tien centimeter en vol graten. Aan een grote vis heeft de lokale bevolking veel meer dan aan een heleboel klein grut, zo werd er geredeneerd.

Het duurde enige decennia, maar toen kregen de visserijmanagers in economische zin gelijk. De opbrengst aan nijlbaars is vele malen groter dan wat er vroeger uit het water kwam en tot dusver zeer lucratief. Meer dan negentig procent van de nijlbaarzen wordt in gefileerde vorm geëxporteerd naar Europa en elders. En al gaan de grote winsten zonder twijfel naar een kleine elite van fabriekseigenaren en naar de buitenlandse handelaren, desondanks stromen er aanzienlijke hoeveelheden deviezen binnen en profiteren de overheden van Kenia, Oeganda en Tanzania mee. De nijlbaarsvisserij trok massaal jonge mensen aan die afzagen van een toekomst als landbouwer en overschakelden op de visserij.

Het is zeker de moeite waard, zoals Beuving deed, te bestuderen op grond van welke criteria mensen besluiten zich op de visserij te storten. En ook om in kaart te brengen welke kansen ze vervolgens hebben om te stijgen in de sociale hiërarchie zodra ze zich, in een van de ongeveer vijfhonderd vissersgemeenschappen rondom het meer, gevestigd hebben. Dynamische plekken zijn het, het nieuwe Afrika zoals Beuving het typeert, waar twintigers en dertigers een zelfstandig leven kunnen opbouwen, zonder de knellende sociale controle van thuis. De visserij biedt tegenwoordig emplooi aan zeker driehonderdduizend vissers die de nijlbaars vangen voor de fileerfabrieken, van wie ongeveer de helft zijn vrouw van huis heeft meegenomen.

Er is ook een andere kant aan dit verhaal, en daarover vertelt Beuving weinig. Het experiment betekende een geweldige optater voor het complexe en ooit zo soortenrijke ecosysteem dat mogelijk voorgoed minder bestand zal zijn tegen verstoring. Het ecosysteem is nog altijd niet tot rust gekomen en de toekomst ervan is uiterst onzeker. Honderden unieke cichlidensoorten die op uiteenlopende niveaus in de voedselketen een rol speelden, stierven uit. Het uitzetten van de nijlbaars was en blijft een onbezonnen daad, vergelijkbaar met de introductie van konijnen in Australië.

Het gebeurde met de beste koloniale bedoelingen. Zogenaamde Acclimatization Societies zetten zich er al aan het einde van de negentiende eeuw enthousiast voor in om flora en fauna van de nieuwe kolonie wat op te peppen door er soorten van thuis te planten of los te laten. Er zijn in het boek Ecological Imperialism van William Crosby uit 1987, talloze voorbeelden, met meer of minder verwoestende effecten, van te vinden. Niet alleen de schade aan de structuur van een ecosysteem kan groot en zelfs onomkeerbaar zijn, soms loopt ook de economische schade in de miljarden. In elk boek over invasive ecology wordt daarop gewezen. De kans dat het mis gaat is het grootst op eilanden – en ook in meren, zeker als die helemaal door een landmassa omsloten worden. Eilanden van water.

Eiland van water

Je zou het Victoriameer als zo’n omgekeerd eiland kunnen opvatten. Het is, op een enkele rivier na, zoals de Witte Nijl, die eraan ontspringt, voor veel organismen die erin leven in de praktijk landlocked. De betrekkelijke isolatie van deze zoetwaterzee leidde tot de voor evolutionaire begrippen razendsnelle evolutie van een soortenzwerm zogeheten haplochromiene cichliden. Die ontwikkelden zich tot specialisten in het vangen en verwerken van alle mogelijke prooien. Er ontstonden viseters, algenschrapers, zoöplanktonpipetteerders, slakkenkrakers, garnaleneters, insekteneters en talloze andere soorten. Een extreem biodiverse groep dieren, waaraan vele neo-darwinistische hyothesen over het ontstaan van nieuwe soorten, maar ook over het ontstaan van biologische aanpassingen konden worden getoetst.

Biologen van de Leidse universiteit zoals Martine Maan, Frans Witte en Ole Seehausen betrapten er de afgelopen decennia evolutie in real time, iets wat Darwin niet voor mogelijk zou hebben gehouden omdat hij meende dat evolutieprocessen zich zeer geleidelijk en uiterst traag voltrekken. Dat idee is nu achterhaald.

Cichliden zijn voor evolutionair biologen van onschatbare waarde, minstens even belangrijk als de Darwinvinken van de Galapagoseilanden, niet in geld uit te drukken. Net als in het Victoriameer ontwikkelden zich ook in het Malawimeer, het Albertmeer, het Kivumeer en het Tanganyikameer soortenzwermen van weer andere cichliden. Er zijn daardoor schitterende vergelijkingsmogelijkheden, want de meren verschillen in ouderdom. Evolutionair biologen raken niet op cichliden uitgekeken omdat deze dieren zich er bij uitstek toe lenen de werking van mechanismen te achterhalen die voor evolutie cruciaal zijn. Welke rol speelt seksuele selectie bij het ontstaan van nieuwe soorten? Hoe zijn seksuele en natuurlijke selectie met elkaar verweven? Hoe snel kunnen genetische aanpassingen ontstaan? In het werk van natuurbeschermers en evolutionair biologen als Richard Dawkins en Edward Wilson worden de cichliden dan ook regelmatig opgevoerd.

Behalve wetenschappelijke redenen zijn er ook ethische en esthetische argumenten te geven om voorzichtiger om te springen met gebieden als het Victoriameer. Een Rembrandt of een Vermeer opstoken om een maaltje te koken: dat is een metafoor die Edward O. Wilson in zijn boek The Diversity of Life gebruikte voor het kappen van regenwoud, en die, tijdens de milieutop in Rio in 1992, door Felix Eijgenraam in deze bijlage werd gememoreerd. Grootscheepse kapitaalvernietiging ten gunste van het boeken van een winstje op de korte termijn, zo zag Wilson de vernietiging van de potentiële schatkamer die het regenwoud is. Voor een liefhebber van biodiversiteit voelt onverschilligheid over de intrinsieke waarde van een uniek en onvervangbaar ecosysteem als dat van het Victoriameer net zo iconoclastisch. Vuurtjes worden er door de sterk toegenomen bevolking rondom het meer trouwens dagelijks gestookt om op te koken. Ook hier vergaande ontbossing en erosiegevaar.

Gulzige baarzen

Zoals Vlasblom ook noemde in zijn artikel verdwenen honderden endemische cichlidensoorten tot en met het laatste exemplaar in de muilen van gulzig stofzuigende nijlbaarzen die gehoorzaam deden wat de visserijmanagers van hen verwachtten. En niet alleen de cichliden, maar ook meervallen, longvissen, olifantsnuitvissen en vele andere soorten werden gedecimeerd. Tegelijkertijd nam de afgelopen decennia de eutrofiëring (overmaat aan fosfaat, nitraat) verontrustend toe, een gevolg van toegenomen kunstmestgebruik, ongecontroleerde lozingen van industrieel afval en de groei van de bevolking langs de oevers van het meer. Gevolg: uitgestrekte velden van blauwalgen, waardoor de transparantie van het water afnam. Ook daardoor zijn, volgens Ole Seehausen, cichlidensoorten uitgestorven. Ze zijn voor hun partnerkeuze sterk aangewezen op visuele prikkels en vinden elkaar niet of vergissen zich in het pikkedonker. De zorgwekkende eutrofiëring zou een van de oorzaken kunnen zijn van de zuurstofloosheid die, bij tijd en wijle, in de diepere delen van het meer optreedt. Die zou ook voor nijlbaarzen negatieve gevolgen kunnen hebben.

De Leidse biologen Frans Witte en Kees Barel die begin jaren 90 over de veranderingen in het Victoriameer berichtten, maakten nog onderscheid tussen een ecologische ramp en verlies voor de biodiversiteit aan de ene kant en economisch succes aan de andere. Ik heb de indruk dat Beuving dat niet langer nodig vindt, de ecologische scrupules voorbij.

Net als het bij de beoordeling van kunst en cultuur in Nederland de laatste jaren usance is geworden, lijkt het vaststellen van de financiële opbrengst van een ecosysteem steeds vaker een graadmeter voor ‘succes’. Dat is een gevaarlijke ontwikkeling. Ook al omdat alerte visserijmanagers en zakenlieden die het artikel van Vlasblom lezen, wel eens op het idee zouden kunnen komen om zelf ook nijlbaarzen – of vergelijkbare exotische soorten – los te laten in andere geïsoleerde meren in Afrika, of in een warm Aziatisch of Zuid-Amerikaans meer. Dat is onwenselijk. Zelfs de praktisch ingestelde visserijbiologen die geneigd zijn niet te lang stil te staan bij de puinhoop die er door hun voorgangers is aangericht, maar die wel de toekomst in de gaten houden, maken zich tegenwoordig zorgen over de duurzaamheid van de visserij in het meer. Sommige van hen, zoals Oliva Mkumbo (Jinja, Oeganda), zijn ervan overtuigd dat de nijlbaars overbevist wordt. Dat vrouwtjes bij steeds geringere lichaamslengte geslachtsrijp worden is daarvoor een sterke aanwijzing. Anderen, zoals visserijbioloog Paul van Zwieten (Wageningen), menen dat eutrofiëring de grootste bedreiging vormt. Vermoedelijk vormen zowel eutrofiëring als overbevissing een gevaar voor de nijlbaarsindustrie.

Darwins nachtmerrie

Problematisch is dat vissers de aanvoer van nijlbaars niet op peil wisten te houden, waardoor de afgelopen jaren een flink aantal fabrieken moest sluiten. Waren zij met al te optimistische verwachtingen begonnen, of neemt het nijlbaarsbestand al drastisch af?

‘Darwin’s nightmare juist een droomsucces’, zo werd het artikel van Vlasblom aangekondigd. Een verwijzing naar de veelvuldig bekroonde, maar ook fel bekritiseerde documentaire over de nijlbaarsindustrie uit 2004 van de Oostenrijkse cineast Hubert Sauper. Daarin werd een deprimerend beeld gegeven van de nijlbaarsindustrie in de buurt van de Tanzaniaanse stad Mwanza. Het grootste deel van de baarzen werd in fabrieken verwerkt tot filets voor de export naar Europa, Israël en de VS.

Tijdens een hongersnood niet ver van het Victoriameer vandaan, zo bracht Sauper genadeloos in beeld, kwam geen fabriekseigenaar zelfs maar op het idee er een vrachtwagen met nijlbaarzen heen te sturen. Twee miljoen Europeanen aten dagelijks nijlbaarsfilet, maar voor de Tanzanianen was de vis onbetaalbaar en, om de hongersnood ter plekke te bestrijden moest er voedselhulp uit Europa komen. Sauper bekritiseerde op een hartstochtelijke manier de perverse kant van het kapitalistisch systeem, maar misschien ook wat simplistisch en eenzijdig. Dat er de afgelopen decennia een bloeiende visserij is gekomen op de zilverblinkende dagaa, lijkend op sardientjes, waarvan de bevolking tot ver van het meer vandaan wel degelijk profijt heeft, kwam niet eens aan de orde. Desondanks schuilt er veel waars in deze briljant gemaakte film die in het artikel van Vlasblom te weinig eer krijgt. Engagement was een voorwaarde om een meeslepende film te kunnen maken in plaats van een documentaire vol enerzijds, anderzijds.

Het is Sauper vaak nagedragen dat hij insinueerde dat reusachtige Iljoesjin-vliegtuigen, bemand door Russische piloten, die de nijlbaarsfilets in onvoorstelbare hoeveelheden mee naar Europa namen, op de heenweg wapens naar oorlogsgebieden in Afrika vervoerden. Sauper, eerder dichter dan onderzoeker, suggereerde door beeldrijm verbanden die hij niet met harde cijfers kon of wilde onderbouwen. Hij werd daarop hard aangevallen door de socio-economen, Afrikaanse visserijbiologen en zelfs de Tanzaniaanse overheid, die een zware lastercampagne tegen hem begon. Tanzaniaanse medewerkers aan de film werden geïntimideerd of zelfs bedreigd, waardoor de nachtmerrie voor Sauper pas echt op gang kwam.

Dansen en drinken

Beuving zet zich af tegen de zwartgallige verhalen over het Victoriameer. Ik verheugde me er dan ook op zijn artikel in het tijdschrift Africa, ‘Playing pool at the shores of lake Victoria: Fisherman, Careers and Capital Accumulation in the Ugandan Nile perch business’ (mei 2010) te lezen in de hoop op een opgewekt verhaal. Al was het uitzetten van de nijlbaarzen vanuit het perspectief van de natuurbeschermer dan een ramp, en betekende het ook een ecologische catastrofe, het was tenminste iets als de lokale bevolking er beter van werd. Helaas stemt ook het beeld dat Beuving schetst tamelijk somber. Hij beschrijft weliswaar levendige plekken vol vertier waar jonge vissers kunnen poolen, dansen en drinken, maar wat vooral opvalt is dat jonge mensen die de overstap wagen van landbouw naar visserij weinig kans maken om in de sociale hiërarchie te stijgen. Het is zelfs moeilijk om het te schoppen tot bemanningslid van een kano. Laat staan er zelf een te bezitten, met buitenboordmotor en kieuwnetten. Wie uitverkoren wordt om zich bij een fileerfabriek diep in de schulden te steken en een eigen kano aan kan schaffen, weet ik uit andere bron, is eraan gehouden uitsluitend aan die fabriek te leveren. Wie het waagt ook nijlbaarzen lokaal te verkopen en daarbij betrapt wordt, loopt de kans halfdood te worden geslagen door de zogenaamde beach managers en hun medewerkers. Tussenhandelaar worden en nijlbaars bij de aanlandingsplekken opkopen en aan fileerfabrieken leveren, is voor nog minder Afrikanen weggelegd.

Beuving heeft gelijk dat mensen met werk in deze gemeenschappen voldoende te eten hebben, goed gekleed gaan en op behoorlijke schoenen lopen. Dat zijn omstandigheden die gunstig afsteken bij het armoedige bestaan van achterblijvers op het platteland. Ook beschrijft hij de culturele differentiatie in deze gemeenschappen. Er zijn vissers, botenbouwers, nettenboeters, monteurs, winkeliers, restauranthouders en zelfs eigenaren van disco’s. Het is niet vreemd dat een jonge Oegandees tegen Beuving zei: ‘hier gebeurt het’.

De vraag is alleen of die ook ten volle besefte wát er gebeurt. Ik kan me levendig voorstellen dat een initiatiefrijke jonge man van begin twintig ervoor kiest in een ruige vissersgemeenschap te leven en een losbandig bestaan te leiden met veel vertier. Dat had ik zelf zeker ook gedaan. Maar voorzag hij dat zijn levensverwachting daardoor sterk daalde? Het percentage hiv-geïnfecteerden in de afgelegen vissersgemeenschappen ligt gemiddeld boven de 26 procent, ook onder de vrouwen. Dat is ver boven de landelijke gemiddelden (ruim zes procent) in Tanzania, Kenia en Oeganda, en zelfs aanmerkelijk hoger dan in de steden. Met de gebrekkige medische voorzieningen die er op veel van deze plaatsen zijn, komt dat toch eerder in de buurt van een kleurrijke en levendige nachtmerrie dan van een droomsucces. De toekomst van deze mensen is onzeker, want niemand weet hoe het met het ecosysteem verder zal gaan. Het uitzettten van de nijlbaars veroorzaakte een ecologische nachtmerrie en betekent een groot verlies voor de biodiversiteit en de wetenschap. Intussen is nog onzeker of het economisch succes bestendig zal zijn.