Waarom heeft Amerika meelij met miljonairs?

Auteur: Thomas FrankTitel: Pity the Billionaire. The hard-times Swindle and the Unlikely Come-Back of the Right. Uitgever: Metropolitan Books, 225 blz., € 23,-

Thomas Frank wordt in Amerika bijna tot vervelens toe vergeleken met Michael Moore. Polemisch, een tikje grof-gebekt en een links hart – hij zou in sommige opzichten inderdaad Moores intellectuele broer kunnen zijn. De linkse schrijver en publicist Thomas Frank is alleen niet zozeer een activist, maar meer iemand die gedreven wordt door verbazing. Hoe kan het, vraagt hij zich in zijn werk keer op keer af, dat Amerikanen tegen hun eigen belangen ingaan en conservatieve bewegingen als antwoord zien op economische crises?

Frank zocht het antwoord in de jaren van George W. Bush in zijn geboortestaat Kansas, ooit de bakermat van progressieve politiek, nu is het de meest Republikeinse staat in de Verenigde Staten. Zijn zoektocht, What’s the matter with Kansas?, werd een bestseller.

De kredietcrisis van 2008, en vooral de ineenstorting van de financiële sector een jaar later, leidde bij Frank tot nieuwe vragen. In zijn boek Pity the Billionaire, probeert Frank nu te achterhalen waarom er zo bar weinig gebeurde na de grootste economische ineenstorting sinds de Grote Depressie, eind jaren twintig. Waar blijven de politieke vergezichten van president Obama? Waarom worden falende banken niet gestraft, maar met overheidsgeld overeind gehouden? Waarom mag Wall Street ongereguleerd verder speculeren, niet gehinderd door strengere regels?

Iedere depressie is een existentiële bedreiging voor gewone Amerikanen. Daarom is Frank vooral geïnteresseerd in hun reactie op de economische crisis. In plaats van volkswoede, constateert hij juist breed publiek begrip voor de veroorzakers van de crisis. De gebalde vuist van de gewone man richtte zich niet zozeer tegen het kapitalisme, of Wall Street, maar juist tegen de federale overheid.

De activistische Tea Party begon in 2009 ook als protestbeweging tegen de vrije markt, maar veranderde al snel van karakter: steeds meer beperkte de agenda zich tot de slogans van de rechtervleugel van de Republikeinse partij: lage belastingen, geen overheidsbemoeienis. Iedereen predikt het conservatieve evangelie, volgens Frank: „De goddelijkheid van de markt. Het elitarisme van de progressieven. En het extreme gevaar dat boven Amerika hangt.”

De Grote Depressie bracht in ieder geval nog iets goeds teweeg, betoogt Frank. President Roosevelt begon The New Deal, en slaagde erin rijk en arm te verenigen onder een gezamenlijk ideaal. Het succes daarvan was zichtbaar aan de verkiezingsresultaten die Roosevelt boekte. Obama komt niet met een New Deal, stelt Frank teleurgesteld vast. Maar misschien kan dat ook wel niet, want de tijden zijn veranderd. Frank beschrijft hoe conservatieve denkers het publieke debat hebben vergiftigd (zoals gezegd schuwt hij grote woorden niet). Vooral talkshowpresentator Glenn Beck moet het ontgelden. Je zou bijna vergeten dat Beck allang niet meer prime time op Fox News te zien is.

Miljonairs, zegt Frank, zijn de idolen van de gewone man geworden. Die hebben het wel slim aangepakt, en Washington moet ze zo min mogelijk lastigvallen. „Voor deze recessie zag je mensen nooit opkomen voor de bankiers door wie ze bedrogen waren”, aldus Frank. Maar nu „huilt de man bij de gaarkeuken voor de man die op zijn jacht ligt te luieren”.

Het is een redenering die kennelijk niet meer genuanceerd mocht worden door Occupy Wall Street, dat eind vorig jaar korte tijd een serieuze tegenbeweging leek te worden. In tientallen steden gingen honderdduizenden de straat op. De sympathie was nog veel groter dan dat, bleek uit peilingen. Frank stipt het aan, maar het verandert zijn analyse niet. Misschien terecht als je bedenkt dat de Occupy-beweging naar de marge is gedrukt. Aan de andere kant legde Occupy bloot hoe diep het wantrouwen tegen het kapitalisme is. De conservatieve revolutie van Glenn Beck is kennelijk toch niet voor 100 procent gelukt.

Guus Valk