Rituelen zijn tenminste echt

De wetenschap en cyberspace trekken ons steeds verder weg uit de werkelijkheid. We hebben een tegenwicht nodig dat ons het hier en nu laat voelen. Rituelen kunnen dit bieden, bepleit Ger Groot.

Wat moet een atheïstische filosoof aanvangen met het fenomeen ‘religie’? Waarom blijft het bestaan ervan betekenis houden, ook voor iemand die – zoals ikzelf – de overtuigingen ervan al lang niet meer deelt?

In een wetenschappelijke tijd valt moeilijk meer vol te houden dat zich ergens in het heelal een Denkende Geest zou bevinden van wie ons levenslot zou afhangen. Toch lijken heel wat mensen zich hiervan weinig aan te trekken. Ze geven de wetenschap alle krediet, maar heffen op vrijdag, zaterdag of zondag in hun godshuizen niettemin een lofzang aan op iets wat naar redelijke normen helemaal niet kan bestaan.

Zijn deze mensen daarom dom of ontoerekeningsvatbaar, zoals het belijdend atheïsme graag beweert? Dit lijkt me een nogal armelijk uitgangspunt voor wie de wereld wil begrijpen in plaats van haar te veroordelen. Waarom doen deze mensen eigenlijk wat ze doen? Wat zegt dit over de werkelijkheid waarin ook ongelovigen als ikzelf moeten wonen?

Kennelijk zijn theologische ideeën voor de godsdienst minder belangrijk dan je op het eerste gezicht zou denken. Een onwrikbaar godsgeloof kun je bij veel kerkgangers vandaag de dag nauwelijks nog veronderstellen. De levensbezieling die zij aan hun kerkgang ontlenen, lijkt minder afhankelijk van dogma’s dan van de ervaring van de godsdienstoefening zelf.

In dit ritueel ontvangen gelovigen antwoord van God op de vraag naar de betekenis van hun leven. Zo lijkt het althans – maar wie onbevangen kijkt naar wat er gebeurt, ziet iets anders. Hij ziet dat de godsdienstoefening een uitzonderingsgebied in het leven roept waarin de wereld voor de gelovige verschijnt als een plaats waarin de mens, ondanks alle ellende, zich welkom kan weten. De kerkganger keert huiswaarts in het besef dat hij is opgenomen in een orde die het hele bestaan omspant.

Ligt dit aan God? Nee, dit ligt aan het ritueel zelf. De voltrekking ervan roept deze ervaring op. Er worden dingen gedaan die tot de materiële werkelijkheid behoren, maar die wel een verandering teweegbrengen in de wijze waarop deze realiteit wordt ervaren. De priester geeft ieder van de gelovigen een stuk brood. Hierdoor ervaren zij zich als een gemeenschap en zien ze de wereld als een zinvolle, verloste werkelijkheid. Dankzij de voltrekking van het ritueel krijgt een onverschillig universum de gestalte van een bewoonbare wereld.

Dit geldt niet alleen voor religieuze rituelen. De koningin die op de Dam een krans legt, verenigt de natie in de overtuiging dat vrede en gerechtigheid het laatste woord hebben in de wereld. Zelfs bij de huldiging van Ajax ervaren de deelnemers dat de werkelijkheid op een of andere manier ‘in orde’ is en dat hun daarin een plaats toekomt.

Bij alle riten zijn het evenwel allereerst de materiële aspecten – van plaats, handeling en traditie – die deze ervaring tot stand brengen. Het was dus niet zo vreemd dat de verplaatsing van de Ajaxhuldiging naar de Amsterdam Arena onlangs het nodige ongenoegen opriep. De traditie wil dat dit ritueel plaatsheeft op het Leidseplein. Met tradities speel je niet zomaar. Juist zij zijn afhankelijk van soms bijna triviale, stoffelijke omstandigheden. Worden deze veranderd, dan voelt het ritueel al snel niet meer als vol aan.

Om dezelfde reden is de moeizame vereniging van de protestantse kerken tot de PKN waarschijnlijk nauwelijks te wijten geweest aan dogmatisch tegenstellingen. De meeste hiervan hebben geen enkele betekenis meer. Op een ogenschijnlijk veel banaler niveau moet iets heel anders de doorslag hebben gegeven dat wél betekenis had – het feit dat het nieuwe kerkgebouw anders rook dan het oude, een andere lichtval had, of een andere klank. Niet de idee, maar de stoffelijkheid was van belang; niet het denken, maar de zintuigen.

Wat is dan wel de betekenis van het bestaan van rituelen en van religie, als het niet een goddelijke werkelijkheid is die hierin tot uitdrukking komt? Ik zou dit de werkelijkheid van de wereld zelf willen noemen en het feit dat het bestaande altijd groter is dan ons denken erover. Dit mag vreemd klinken, want juist de godsdienst heeft ons altijd van deze werkelijkheid weggetrokken, naar een soort bovenwereld. Dankzij de wetenschap zijn we hiervan verlost. We hebben geleerd dat niet de hemel het belangrijkste is , maar de Aarde; niet de idee, maar de materie. De laatste loot aan deze stam is misschien Dick Swaabs tot slagzin geworden boektitel Wij zijn ons brein.

Zo zouden wij als moderne mensen onze cultuur althans graag zien, maar zoals de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche ruim een eeuw geleden vaststelde, vergissen we ons hierin deerlijk. Het geloof in een bovenwereld en het geloof in de waarheid van de wetenschap zijn van hetzelfde laken een pak, aldus Nietzsche. Allebei geloven ze in een waarheid die letterlijk on-aards is in haar eeuwigheid en allebei laten ze het tijdelijke, materiële en eindige opgaan in de illusie van tijdloze zuiverheid. In de religie is dit de hemel, in de wetenschap de theorie of de formule. In beide gevallen verdwijnt de levende ervaring van de werkelijkheid uit zicht.

Die moderne hang naar spiritualisering is doorgedrongen tot in de verste uithoeken van onze cultuur. Ik geef een paar alledaagse voorbeelden. Voor vergaderingen en overleg staan ons almaar meer communicatiemiddelen ter beschikking. Toch weet iedereen dat een werkelijk creatief idee meestal pas ontstaat als collega’s samen rond de koffiemachine op hun werk wat doelloos in het rond converseren en dat leidinggevenden in multinationals of correspondenten van een krant liefst één keer per jaar lijfelijk bijeenkomen, omdat zoiets door geen telefoon of e-mail te vervangen is. De materialiteit van de nabijheid is méér dan een bijkomstigheid die de mededeling een extra smaakje geeft. Ze inspireert en enthousiasmeert. Na zo’n ontmoeting kunnen de wereldwijd verspreide executives en correspondenten er weer een jaar lang tegen.

Desondanks blijven goedwillende beleidsmakers roepen dat de moderne arbeid vaak net zo goed – ja, zelfs beter – als thuiswerk kan worden verricht. Langs talloze kanalen blijven we immers ook over lange afstand met elkaar in contact. Webmasters houden ons voor dat we musea net zo goed kunnen bezoeken op het beeldscherm en cyberspace-ideologen blijven erbij dat virtuele vrienden ons leven net zozeer betekenis kunnen geven als buren en familie. Die vrienden kies je immers zelf. Als je genoeg van hen hebt, zijn ze met één muisklik te ‘ontvrienden’.

Wil onze cultuur aan dit werkelijkheidsverlies weerstand bieden, dan zal ze opnieuw moeten leren indruisen tegen een van de grondtrekken van ons denken. Tenslotte brengen we de wereld niet voor niets terug tot denkbeelden en ideeën. Hieraan hebben we onze kennis van de wereld en dus ook onze greep op haar te danken.

Als deze spiritualisering daarentegen de overhand krijgt – ons computergebruik heeft hieraan nog een extra impuls gegeven – wordt het tijd voor een nieuw realisme. Dit is niet in één keer gebeurd en uiteraard kunnen we niet alleen bouwen op ons denken. We hebben iets anders nodig wat ons steeds tot de orde roept. Dit kan alleen maar de onverzettelijke werkelijkheid zelf zijn.

In het ritueel vindt dit misschien zijn beste voorbeeld. Een rite is geen gedachte, maar een gebaar of gebeurtenis. We kunnen de strekking ervan wel onder woorden brengen, maar hierbij gaat het opnieuw om een theoretisch inzicht. De onontkoombaarheid van de handeling ontmaskert de soevereiniteit van de denkende mens net zo grondig als de godsdienstige leer dit doet door de religieuze mens horig te maken aan zijn god. Daarom komt die tegenspraak juist in het religieuze ritueel het scherpst tot uitdrukking. Dit laat zich op geen enkele manier meer reduceren tot een redelijk inzicht en is precies daarom een onbegrijpelijk ‘schandaal’ voor het moderne denken.

Dit is het uiterste punt tot waar ik als atheïst kan komen. In het beste geval herkent de gelovige zich in de vaststelling dat het ritueel de grens markeert die de materie te ervaren maakt. Over wat hieraan voorbijligt, kan de ongelovige filosoof niets meer zeggen. Dit hoeft ook niet. Hij hoeft alleen de vreemdheid van het ritueel te accepteren, als iets wat zich niet modernistisch laat wegpoetsen en wat hem stelt voor het raadsel van zijn eigen denken. Dat is de betekenis die het bestaan van religie en de werkzaamheid van het ritueel voor hem, als moderne en verlichte mens, kunnen hebben.

Ger Groot doceert filosofie aan de universiteiten van Rotterdam en Nijmegen en is publicist. Dit is een bewerkte versie van de Dominicuslezing, die jaarlijks gehouden wordt in Het Steiger in Rotterdam.