‘Misschien helpen cheerleaders wel’

Nederland loopt niet echt warm voor de EK handboogschieten in Amsterdam. Toch gaat het goed met de sport. Er is talent genoeg.

Schutters warmen zich op tijdens de EK handboog in Amsterdam. De man op de grond checkt of de boog goed is afgesteld. Foto Roger Cremers

De wind was gisteren de grote boosdoener in het Olympisch Stadion in Amsterdam. Net op het moment dat veel handboogschutters hun pijlen wilden loslaten, kwam er weer een windvlaag opzetten. Weg concentratie. „Je weet niet waar de wind vandaan komt”, verzucht Nederlands beste schutter Rick van der Ven, die na zo’n windvlaag opnieuw begint met zijn routine. Zijn boog gaat de lucht in, de pijl wordt opnieuw gespannen en de blik is gericht op de roos, aan de overkant van het veld. En dan precies op het juiste moment loslaten, hopend op het perfecte schot midden in die roos. Maar op de wind valt geen peil te trekken.

Veel publieke belangstelling is er niet voor de EK handboog in Amsterdam. Er waren vrijdag meer deelnemers en journalisten dan toeschouwers aanwezig in het Olympisch Stadion. Op de tribunes toetert een verdwaalde supporter door een vuvuzela, „Holland, Holland” schreeuwend. Hij blijkt familie te zijn van de Nederlandse boogschutter Sjef van den Berg.

„Handboogschieten is nu eenmaal geen kijksport”, zegt technisch directeur van handboogbond NHB Henk Gemser. „Het is moeilijk te volgen voor het publiek. Je kan niet verwachten dat de tribunes opeens volzitten.”

De oud-schaatstrainer werd eind 2010 door sportkoepel NOC*NSF aangesteld om de sport te professionaliseren. „Er waren wat communicatieproblemen binnen de bond”, vertelt Gemser enigszins cryptisch. Zijn voorganger Peter Nieuwenhuis stapte twee jaar terug op uit onvrede met het gevoerde beleid. „Ik heb nog geprobeerd Peter op zijn besluit te doen terugkomen, maar dat wilde hij niet meer. Toen heb ik besloten de baan te accepteren.”

Gemser, die tien jaar geleden ook een tijdje technisch directeur was bij de zeilbond, erkent dat hij weinig tot niets wist van de sport waar hij opeens leiding aan moest geven. „Ik kende de wereld van het handboogschieten helemaal niet. Maar ik ben ook niet aangesteld omdat ik een kenner ben van de sport. Ik moest de sport professionaliseren. Dat heb ik geprobeerd door de kernploegen kleiner te maken en met talenten gericht naar de top te werken. Er moest op een andere manier naar topsport worden gekeken binnen het handboogschieten. Sporters moeten na een mislukt toernooi niet teleurgesteld zijn, maar ontevreden. Dat is een belangrijk verschil.”

De handboogsport was in Nederland heel even in het nieuws toen Wietse van Alten tijdens de Olympische Spelen van Sydney in 2000 verrassend een bronzen medaille haalde. Daarna bleef het stil rond de sport, die in Nederland door een kleine 10.000 mensen wordt beoefend. Van Alten kon zijn succes na zijn bronzen medaille niet herhalen en stopte in 2008, net als veel andere sterke Nederlandse boogschutters. Er viel een gat in het Nederlandse handboogschieten, erkent ook van Alten, nu bondscoach van de nationale ploeg. „De schutters uit mijn lichting kozen voor een maatschappelijke carrière”, vertelt Van Alten. „Ik werd bondscoach en ging bouwen aan een nieuw Nederlands team. Maar dat vergt tijd. Er zat niets achter de lichting die opeens stopte. Dan ga je met jonge talenten aan de slag.”

Talent is een term die je vaker hoort in gesprekken met betrokkenen tijdens het Europees kampioenschap in Amsterdam. De vier beste Nederlandse schutters van dit moment, Van den Berg, Van der Ven, Rick van den Oever en Mitch Dielemans, zijn allen rond of onder de twintig jaar en behoren nu al tot de Europese top. Maar er valt nog genoeg te leren.

„Je ziet het vandaag”, zegt Van Alten. „Die wind is zo verraderlijk, daar moet je mee om kunnen gaan. Jonge gasten vinden het dan moeilijk waar ze precies op moeten mikken. De wind staat aan de andere kant van het stadion weer heel anders dan op het punt waarvan je schiet. Dat moet je een paar keer gedaan hebben voor je dat echt goed kunt. Als je jong en gretig bent, wil je alleen maar die pijlen erin schieten. Met de jaren leer je hoe je dat rustiger kan doen. Je moet mentaal ontzettend sterk zijn voor deze sport.”

Het is volgens Van Alten dan ook niet eerlijk om nu al medailles te eisen van zijn jonge ploeg. „Deelnameaan de Spelen behoort zeker tot de mogelijkheden, maar we stevenen nog niet op goud af. Over vier jaar ligt dat anders. Dan moeten we er tijdens de Spelen gewoon bij zijn en dan verwachten we ook goede prestaties.”

Met die goede prestaties wordt op de EK al een begin gemaakt. Zaterdag staat Van der Ven in de finale op het onderdeel recurve en vrijdag zorgde Van den Oever ervoor dat Nederland minimaal één deelnemer naar Londen mag sturen.

Van Alten hoopt dat het succes van de jonge Nederlandse boogschutters de sport populairder gaat maken in Nederland. „Natuurlijk is het jammer dat de tribunes hier zo leeg zijn. Maar ik heb ook niet de illusie dat hier tweehonderd man naar komt kijken. En dat is niet eens zo veel. Nederlands succes kan in dat opzicht veel uitmaken. Hoe we de sport aantrekkelijker kunnen maken? Misschien moeten we cheerleaders inzetten, en opzwepende muziek tussen de wedstrijden door. Dan komt het publiek wel.”