Met een telefoon moet je niet bellen

Wie telefoneert, is asociaal en opdringerig. Jongeren van nu willen juist rust en afstand. Ze sms’en en pingen liever, stellen Anouk van Kampen en Jan Truijens Martinez.

Illustratie Rik van Schagen

‘Hoi ma, met mij. Zou je ons misschien even kunnen komen ophalen?” In de stromende regen, met geen bus in zicht en nog niet onbeschaamd genoeg om je duim omhoog te steken, stuur je geen mailtje. Voor zulke momenten voldoet geen sms, tweet of WhatsApp, maar heb je een stem aan de andere kant van de lijn nodig om snel opgehaald te kunnen worden.

„Wie belt er nou nog?”, vraagt de nieuwste reclame van Hi zich af, waarin drie jongens vastzitten in deze situatie. Met de reclame speelt de telefoonprovider in op alternatieven voor het bellen die steeds meer ongebruikte belminuten achterlaten. Een van de jongens besluit zijn moeder uit bed te bellen om hen op te laten halen, maar voor alle andere situaties, suggereert Hi, is het inderdaad de vraag wie er nu nog belt.

Niet alleen Hi, maar ook de andere providers passen zich aan en proberen op een andere manier te verdienen aan de niet-bellende telefoongebruiker. Limieten worden gesteld aan internetverbruik in de hoop winst te kunnen maken op de nieuwe communicatiemethoden, en er wordt tevergeefs gelobbyd tegen de netneutraliteit. Het is de bevestiging dat de telefoon niet langer meer is om te bellen. En terecht, want er is niets vervelender dan mensen die hun telefoon gebruiken om te bellen.

Al sinds de opkomst van de vaste, mobiele en smarttelefoon, en de introductie van het mailen, sms’en, pingen, WhatsAppen, Facebooken en tweeten, slijpen de tegenstanders hun argumenten: de beste manier om met iemand te praten is face to face. Elke vorm van contact die verder afstaat van de directe aanwezigheid van je gesprekspartner staat steeds lager op de communicatieladder.

Op het eerste gezicht is het moeilijk om de tegenstanders ongelijk te geven. De nieuwe manieren van communiceren zorgen voor vreemde taferelen: in restaurants zitten stelletjes, in plaats van in de ogen van de ander, diep in het scherm van hun telefoon te staren en zelfs politici vinden het moeilijk om tijdens een Kamerdebat geen tweet online te zetten.

Na een werkelijke ontmoeting is bellen, bij gebrek aan beter, een mooie tweede communicatievorm. Het is direct, er is geen kwartier heen en weer sturen van berichten nodig om te vragen hoe het met iemand gaat, en het is veel persoonlijker. Wanneer we bellen, horen we de stem en de intonatie van onze gesprekspartner, die meer verraadt dan hij of zij zeggen wil. Bijna net zo goed als iemand die tegenover je zit. Een telefoon is om mee te bellen, vinden ze. Met sms’jes en het retweeten van volgers bereik je geen werkelijk contact en blijft alles afstandelijk. We zijn constant verbonden met het internet, maar niet werkelijk met elkaar.

Telfort lijkt met zijn laatste reclame meer aan de kant van deze sceptici te staan. Waar de meeste providers op andere manieren aan inkomsten proberen te komen, adverteert Telfort het gratis bellen. Maar het is een wanhoopspoging, want net zoals de sceptici het onderspit zullen delven, zal Telfort hiermee geen succes hebben. Bellen is ten dode opgeschreven.

Dit houdt voornamelijk verband met de nieuwe manier waarop er tegen bellen aan wordt gekeken. Bellen is niet langer een teken van sociaal gedrag, maar juist het tegenovergestelde. De beller is de persoon die tijdens de spits de behoefte voelt om zijn dag ten overstaan van een volle coupé te delen, degene die anderen lastig valt door te bellen wanneer het hem of haar uitkomt, de persoon die na vijf minuten beleefde introducties eindelijk vertelt wat hij van je nodig heeft. Maar bellen betekent ook vaak een ander voor het blok zetten, door elkaar heen praten, en wachten tot het moment komt waarop je eindelijk kunt ophangen.

Bellen is niet de beste communicatievorm na rechtstreeks contact, maar een grove manier van communiceren met de schijn van persoonlijkheid. Gelukkig wordt bellen stapsgewijs vervangen door handiger, effectiever en minder storende methoden. Kritieken over de stress van het constant in verbinding staan via de smartphone en het onpersoonlijke contact blijken volledig ongegrond.

Mensen die hun statusupdates uitvoeren tijdens het eten, pingen in de bioscoop en mailen in de kroeg zijn misschien niet erg sociaal. Maar mensen die zweren bij het bellen, vertonen een overgewaardeerde koppigheid. Wie bij de gedachte aan een belgesprek uitvluchten verzint en liever gewoon niet opneemt, wordt telefoonangst aangepraat. Handige sites komen met tips en oplossingen, terwijl juist de constante behoefte om te bellen ziekelijk is.

Want met mail en andere berichten kan iedere afspraak, conversatie en discussie makkelijk en overzichtelijk worden gevoerd, zonder dat je per se het leven van anderen hoeft binnen te vallen. De komst van de smartphone luidt niet een tijdperk in waarin we nog meer met elkaar verbonden zijn, maar voor het eerst sinds de introductie van de mobiele telefoon is er eindelijk de mogelijkheid om meer afstand te nemen.

Maar dan doe je toch je telefoon uit, snauwen de critici. Het tijdelijk afsluiten van je mobiele telefoon of je laptop is echter geen oplossing, maar een noodgreep. Denken dat je vrij bent als je de technologie de rug toekeert, is een even sterke positie als debatteren met je vingers in je oren. En daarbij, het is onnodig. Want de afstand en rust die we verloren hebben met de opkomst van de mobiele telefoon, kunnen we met de smartphone terugwinnen.

Met alternatieve communicatiemethoden als WhatsApp en pingen kunnen we niet alleen afstand introduceren. Ze geven ons ook de mogelijkheid om de nuance terug te brengen in een gesprek. Om niet gelijk te hoeven antwoorden, maar even na te denken en te wachten met een antwoord totdat het ons uitkomt. Dat velen ervoor kiezen hun gevoel instant te delen via tweets is een gebrek aan waardering voor de mogelijkheid om na te denken.

Vrezende ouders en technologiegoeroes roepen dat we ons ook moeten afwenden van de moderne technologie. Zet het uit! Zoek elkaar op! Maar misschien is de gewaarwording dat telefoneren als opdringerig en onbeleefd ervaren kan worden een indicatie dat jongeren niet altijd op zoek zijn naar intiem en persoonlijk contact. Elkaar moeten opzoeken is een onderschatting van de behoefte om juist met meer afstand en indirect met anderen te communiceren. Omdat een steeds groter gedeelte van de wereld met elkaar verbonden is, we altijd bereikbaar zijn – en soms ook moeten zijn – zijn we niet alleen gezegend met een total connection, maar ook met de mogelijkheid om dat even niet te zijn.

De mensen die nu nog bellen, zijn de mensen die in vroegere tijden zouden hebben gezworen bij rooksignalen en postduiven, die denken dat het nieuwe moet worden gewantrouwd. Het zijn de mensen die stellig zeggen dat fysieke nabijheid betekent dat je samen bent, dat een luisterend oor een stem moet horen. Het zijn de mensen die geen afstand durven nemen.

Anouk van Kampen is medewerker van NRC Handelsblad. Jan Truijens Martinez is essayist en student-medewerker op een advocatenbureau.