Ja, media moeten betrouwbaar zijn, maar toch is dat pas het halve werk

Ombudsvrouw van The Hindustan Times, je zult het maar zijn. Dit Indiase dagblad heeft een oplage van 1,2 miljoen en vele miljoenen lezers meer – en Sumana Ramanan, de ‘lezersredacteur’, is er voor hen allemaal.

Ramanan was, evenals ondergetekende, onder de 41 genodigden op het jaarcongres van de Organization of News Ombudsmen (ONO), dat de afgelopen dagen werd gehouden in Kopenhagen. Een bont gezelschap, van Estland tot Colombia en Bangladesh, boog zich over de heetste hangijzers in het vak. En dat zijn: het bevorderen van betrouwbaarheid en zelfregulering.

Geen wonder, want sinds het schandaal rond de tabloid The News of the World schudt ten minste de Britse mediawereld op haar grondvesten. De inmiddels opgeheven krant van Rupert Murdoch maakte zich „op industriële schaal” schuldig aan het opkopen van privégegevens, het afluisteren van telefoons, en het intimideren van onwillige bronnen. Dit alles om vol op het orgel te kunnen berichten over overspel, drugs, echtscheiding en, als het even kan, zelfmoord van Bekende en Minder Bekende Britten.

Dat citaat over industriële grootschaligheid komt van de Britse hoogleraar communicatie Steven Barnett, die op het congres sprak over de noodzaak van wettelijke regulering van de media. Dat is geen censuur, aldus Barnett, maar een manier om de media te „bevrijden” van hun obsessie met trivia en hen te helpen hun serieuze taak te doen, in het algemeen belang.

Of het zó ver komt, is de vraag, maar dat de regels voor Britse media strikter zullen worden staat wel vast. Barnett gaf voorbeelden van aasgierengedrag door tabloids waar je maag van omdraait: de moeder van een zangeresje onder druk zetten met berichten over overspel van vader, wat moeder tot een zelfmoordpoging drijft; dan een interview eisen met moeder (en een foto van de doorgesneden polsen).

Nu zijn dat Britse tabloids. Maar op de conferentie gingen ook stemmen uit andere landen op voor een striktere zelfregulering van media, al is het maar om ingrijpen door de overheid te voorkomen. De klacht is overal dezelfde: klachtencommissies en raden voor journalistiek zijn onvoldoende geloofwaardig en „tandeloos”. Ook in Nederland ligt de Raad voor de Journalistiek onder vuur, zoals laatst nog te lezen was in deze krant (‘De rechter is geen alternatief voor de Raad’, 12 mei).

Maar is de oplossing echt wettelijke regulering?

Cruciaal voor de geloofwaardigheid van media, is getting the facts right, zoals Amerikanen graag zeggen. Daar begint alles mee. En dan gaat het niet alleen om correcte feiten en citaten, bijvoorbeeld, maar ook om een eerlijke weergave van de context van een feit of een uitspraak, benadrukte Paul Chadwick van de Australische zender ABC.

Ik ben het daar van harte mee eens, wie niet? Niet voor niets hamert de hoofdredacteur van deze krant nu ook op het vermijden en corrigeren van fouten. Het motto moet zijn: schaam je voor fouten, maar niet voor correcties.

Maar betrouwbaarheid is maar de helft van het verhaal.

Het gaat, zeker bij tabloids, ook om iets anders: om journalistieke normen en prioriteiten. De commissie-Leveson, die het Britse schandaal onderzoekt, buigt zich over het hele journalistieke proces, inclusief regels voor hoor en wederhoor en de eigendomsverhoudingen in de media-industrie.

Ook in Kopenhagen was de consensus, los van de vraag of de staat dat moet regelen, dat het afgelopen moet zijn met die bandeloze jacht op kanonnenvoer voor de sensatiepers. Niet alleen om professionele redenen, maar ook om maatschappelijke: de obsessie met opgeklopte human interest leidt af van de democratische functie van serieuze journalistiek: een geïnformeerde burgerij (en electoraat) bedienen.

Prima, al lijkt zoiets zeker in Nederland geen taak van de overheid. Media moeten hun eigen normen en prioriteiten stellen, en hun eigen fouten corrigeren, daarbij op afstand in toom gehouden door zelfregulering en in laatste instantie door de rechter. Maar dan moeten ze het natuurlijk ook wel doen.

Bovendien, gaandeweg bekroop mij toch ook een beetje ongemakkelijk gevoel, over al dat onderstrepen van de noodzaak van journalistieke zelfbeheersing. Zelfbeheersing als het gaat om sensatiezucht, natuurlijk, maar voor het overige? De Amerikaan Ed Wassermann, hoogleraar media-ethiek in Washington, merkte en marge van het congres op dat het tegenwoordig in discussies over de media steevast gaat om gebrek aan zelfbeheersing, maar dat „gebrek aan agressie” van kranten en tv in het najagen van de waarheid een even groot, zo niet groter probleem is.

Waarom zijn media niet agressiever, dat wil zeggen vasthoudender, in het uitspitten van onderwerpen? Waarom volgen ze en masse het Ding van de Dag? Waarom wordt een onderwerp de ene dag uitvergoot tot Colossus en lijkt het de volgende dag vaak alweer vergeten?

Journalistiek moet betrouwbaar zijn, maar ook onthullend. Niet over het seksleven van de neef van een aan lager wal geraakt fotomodel, maar over zaken die burgers raken: politieke, economische en maatschappelijke incidenten en trends die ingrijpen in hun leven.

Accuratesse is broodnodig, maar prioriteiten zijn onmisbaar.

Sjoerd de jong