Hij koopt afplaktape – een vooruitwijzing!

Arjen Fortuin neemt de stapel binnengekomen boeken door, signaleert en geeft een eerste oordeel. Met deze week stoute fictie, brave essays en de beste mop van het jaar.

Porno”, zei een keurige man ooit in een sketch van Koot en Bie. „Wel veel over gelezen, maar het zien is er nooit van gekomen.” Waarna hij acht banden harde porno meenam uit de videotheek (voor een kinderfeestje). Die schaamte is de Amerikaanse lezer nu wel voorbij: daar staan de drie delen mommyporn van de Fifty shades trilogie van E.L. James fier aan top van de bestsellerlijsten. Vooral die van de bestverkopende e-books, trouwens – dan ziet niet iedereen in de metro waar je mee bezig bent. Deel 1 is in een soort van Nederlands vertaald: Vijftig tinten grijs (Vert. Uitgeverij Prometheus en Textcase, Prometheus, 528 blz. € 15,-). Het verhaal van literatuurstudente Ana die in contact komt met de mysterieuze miljonair Christian Grey wordt verteld in een lange stoet stoplappen en clichés. De bite van het boek zit vooral in de voorkeuren van Grey. Bij zijn tweede ontmoeting met Ana, die in een doe-het-zelfzaak werkt, koopt hij een rol afplaktape – een vooruitwijzing. Later legt hij haar een formulier voor: „Wat is de algemene houding van de Onderdanige tegenover het aanvaarden van pijn? Hierbij staat 1 voor ‘heel erg fijn’ en 5 voor ‘absoluut niet fijn.’”

Het verlangen naar een geliefde die je geheel kunt controleren, wordt eigenlijk gepersonificeerd door de smartphone, schrijft Jonathan Franzen in het eerste essay van zijn bundel Verder weg (Vert. Peter Abelsen, Prometheus, 320 blz. € 19,95). Daarmee hebben we „een relatie waarin het voorwerp van onze liefde niets verlangt maar alles geeft, en zich zonder morren laat afdanken wanneer we het willen verruilen voor een lustobject dat we nog sexyer vinden.” Geestig gezien, al is het jammer van het stuk dat Franzen vervolgens gaat uitleggen dat echte liefde (met pijn) desalniettemin te verkiezen is. Braafheid zit Franzen wel vaker in de weg; het best is hij op dreef als hij het zelf niet meer weet, bijvoorbeeld in het mooie titelverhaal. Daarin probeert hij vergeefs iets te begrijpen van de zelfmoord van David Foster Wallace – en van zijn eigen gevoelens daarbij. Terwijl hij ook nog in één zin schitterend zijn vader portretteert (‘Samen met Les Misérables was [Robinson Crusoë] de enige roman die hem wat zei’) en je meeneemt naar een onbewoond eiland.

Een hang naar het brave verraadt zich ook in de essays uit de bundel Het leven volgens Rutger Kopland. Onze vluchtige plek van de waarheid (al staat er ook een bijdrage van Arnon Grunberg in), de vrucht van een congres uit november, onder redactie van godsdienstwetenschapper Johan Goud (Klement/Pelckmans, 176 blz. € 19,95) die eerder het werk van Grunberg ‘levensbeschouwelijk’ onder de loep nam. Niemand draait een kleine revolutie af, maar het is een traktatie om je in Kopland onder te dompelen. Bijvoorbeeld met een mooie theologische duiding van Kolpands cyclus bij beelden van Roger Raveel: „God kan ondoorgrondelijke dingen met ons doen/ dankzij het feit dat hij niet bestaat […] Sinds ik dit bedacht begrijp ik veel meer.”

Er is ook doorgrondelijke werkelijkheid, zeker in het universum van Robbert Dijkgraaf. De fysicus maakte met wetenschapsjournalist Marcel Hulspas Reuzen van de Lage Landen (Nieuw Amsterdam, 160 blz. € 16,95). In het boek zoekt Dijkgraaf in musea en archieven de sporen van grote Nederlandse wetenschappers als Simon Stevin, Christiaan Huygens en Heike Kamerlingh Onnes. Het brengt hem langs de walviskop met zaagsnede in Teylers Museum (de onderzoekers Cuvier en Van Marum betwistten elkaar het bezit van het beest en neigden naar een salomonsoordeel) en het geweldige planetarium van Eise Eisinga in Franeker, gemaakt met tienduizend door hemzelf met de hand gesmede spijkers. Mooie anekdotes, maar jammer dat Dijkgraaf zelf geen tijd had om het op te schrijven. Nu staat het boek vol lusteloze verslagzinnetjes als: „Robbert: ‘Is het Planetarium van Eisinga ooit weleens stil komen staan?’”

Tot zover de gewone boeken. Er is ook nog Stalin en Hitler komen in de hemel. De hele geschiedenis aan de hand van moppen en misvattingen van Dick Berents (Aspekt, 486 blz. € 24,95). Het boek is een navertelling van de wereldgeschiedenis met elke halve pagina een toepasselijke mop. Dus begin je met dinomoppen (het verschil tussen een dinosaurus en spaghetti? ‘De dinosaurus glijdt niet van je vork af’) en ga je de hele geschiedenis door: faraomoppen, Napoleon-moppen, Hitler-moppen, Castro-moppen en één George Bush-mop. 450 pagina’s lang en de ene is nog flauwer dan de andere – maar zie het maar eens weg te leggen. De grootste mop is hier dus het boek zelf. Er moet een prijs zijn waar dit boek mee wordt bekroond.