Een vuige Jagger in de stad van Mahler en Mozart

De hele maand mei is Peter Buwalda gastschrijver aan de universiteit van Wenen. Hij bewoont er een appartement vlak bij de opera. „Wenen is mijn Geheimtip. Ik vind het er leuker dan Londen of Berlijn. Maar dat ge-Grüss Gott – godverdomme zeg.”

Donderdag 17 mei

Moet je doen, zeiden ze, Wenen – ben je een maand helemaal weg uit de hectiek waarover je steeds zo loopt te mekkeren, kun je ongestoord werken. Ze hebben gelijk, dacht ik, duizend kilometer tussen mij en het gesodemieter, dat is goed, maar ik rekende buiten de waard, en de waard heet: wifi.

Verlatenheid, eenzaamheid, het heeft anno 2012 niets meer met geografie te maken. Het onbewoond eiland heeft zijn tijd gehad, er zijn alleen nog oorden met of zonder draadloos internet.

Robinson Crusoë zou vandaag duizenden Facebookvrienden hebben, en ook een blog en Twitter. „Vrijdag? Schat? Ping ff dat we baviaankluifjes eten.”

Ik schrijf hier in Wenen, in het prachtige appartement waar ik logeer, op dezelfde laptop als thuis en het zijn exact dezelfde websites waarop ik uitkijk, kennelijk omdat ik eropuit wíl kijken. Toen ik hier 1 mei verreisd binnenkwam, moest ik piesen als een buffel, maar in plaats van naar de wc te gaan tikte ik de wifi-codes in.

Vrijdag

Als ik genoeg gewerkt heb – dertig pagina’s ik-vorm omgezet naar de hij-vorm – ga ik Wenen in. Het wordt tijd om het Freud-huis te bezoeken, een rechtgeaarde schrijver neemt daar als het even kan een kijkje. Freud heeft meer voor de romancier betekend dan voor de zenuwlijder.

De weg erheen voert dwars door de binnenstad, langs de opera, de parken en musea, het parlement, de koffiehuizen. De standbeelddichtheid is enorm, en het zijn geen aanstellers die ze hier hebben uitgehakt: Brahms, Beethoven, Mozart, het houdt niet op. Je kunt geen stadspand binnenlopen of je stoot je kop aan een plaquette – overal heeft wel eventjes een genie gewoond.

De historische sensatie bereikt een voorlopig hoogtepunt als ik in de authentieke wachtkamer van Sigmund Freud sta. Aan de muren ingelijste diploma’s, eredoctoraten, foto’s met congresgangers, en natuurlijk is er de deur naar de sofa aller sofa’s. Ik leg mijn hand op de klink en probeer me voor te stellen dat Freud mijn therapeut zou zijn. Wat een hilarische gedachte. Alsof Bill Gates eigenhandig je laptop komt repareren, maar dan absurder.

Zaterdag

Tegenover mijn appartement zit een kleine kruidenier. De vriendelijke man lijdt onder de crisis, vermoed ik, want hij reageert teleurgesteld als ik alleen iets kleins afneem. Deze keer koop ik om hem een plezier te doen twee ons rookvlees, een half brood en tomaatjes. „Nichts zu trinken dabei” schreeuwt hij. Het kost dertien euro.

Overmorgen moet ik een lezing geven in de Alte Schmiede, een cultuurhuis met een flinke traditie, ik ben patiëntje nummer 5.002. Ze willen dat ik drie fragmenten uit Bonita Avenue voorlees waarna een tolk ze in het Duits herhalen zal – een uur voorlezen dus. Nederlanders vinden dat lang. Oostenrijkers niet, is me verzekerd. Ik selecteer de fragmenten, verander daarna in mijn manuscript nog even alle hij’s weer in ik’s, en ga de stad in.

Als ik voorbij de Musikverein loop komt me een kleine, gezette man in een rood colbert tegemoet. Het is Daniel Barenboim, zie ik meteen, dirigent en bovenal meesterpianist. Ik heb zijn Schumann-concerto, en nog veel meer.

„Enschuldigung”, hoor ik mezelf zeggen, „wo geht’s denn hier zum Stephansdom?”

Barenboim fronst even, legt dan één briljante hand kort op mijn schouder en wijst me met de andere de bekende weg.

Zondag

Begrijp me niet verkeerd, ik ben gecharmeerd van Wenen, Wenen is mijn Geheimtip, ik vind Wenen leuker dan Londen of Berlijn, ik trek als een pelgrim van schrijn naar buste, ik zou hier kunnen wonen – maar dat ge-‘Grüss Gott’! Godverdomme zeg. De hele dag door, kassameisjes, souschefs, concertpianisten – Grüss Gott. Ik kan het niet uitstaan. Soms zeg ik het per ongeluk nog terug ook, maar dan blijft dat ‘Gott’ zo’n beetje in mijn keel steken en maak ik er een onhandig ‘Grüss Goh…’ van. Ondenkbaar in Nederland. Groet God? Sloom, schijnheilig, te… eenkennig. Als ik chagrijnig ben denk ik dat het verband houdt met die andere groet van hier, dat Grüss Gott één grote Freudiaanse compensatie is. Want als je er rustig over nadenkt betekent ‘Heil Hitler’ het zuivere tegenovergestelde, en dat was ook niet goed.

Maandag

Collegedag. Iedere maandag zit ik aan in een vertaalcollege van Christine Hermann. Ze heeft haar studenten stukken uit Bonita Avenue laten vertalen die we samen bespreken. Levert bijzonder interessante discussies op over ritme, taaleigen, wat grappig is en wat niet. Een vertaler schuifelt van de van de ene valkuil naar de andere.

Vooraf ving ik geluiden op dat Oostenrijkse studenten afwachtender zouden zijn dan Nederlandse, maar daar merk ik weinig van. Een meisje vraagt of ik over gender heb nagedacht. „Je bedoelt ‘zij’ gebruiken wanneer je normaal ‘hij’ gebruikt?” „Ook”, zegt ze ernstig, „maar je hebt het bijvoorbeeld steeds over de boerderij van Sigerius – daar had je ook de boerinderij van kunnen maken.”

Meteen na het college is de lezing. Geen idee hoe het mogelijk is maar er zit zestig man publiek. Tussen de fragmenten door hoor ik mezelf een taal spreken die op Duits lijkt. De vraag is of de zaal die gelijkenis ook opmerkt.

Dinsdag

Ik eet altijd buiten de deur, hier. Van alles geprobeerd, schnitzels, goulash, maar de Aziaten op de Naschmarkt bevallen me het best. Buiten aan een formicatafeltje, liefst rode of groene curry, halve liter bier, mensen kijken. Ik lees Richard Yates. Als ik uitgegeten ben wandel ik naar huis met Star Star op mijn iPod, een goeie Stones is dat, zeg. ‘Honey, I missed your two tongue kisses, legs wrapped around me tight/If I ever get back to Fun City, girl, I’m gonna make you scream all night.’ Heb ik soms even nodig, een vuige Jagger, hier in de stad van Mahler en Mozart.

Om één uur ’s nachts maak ik een fout. Op Youtube vind ik registraties van Barenboim die het vierde en vijfde pianoconcert van Beethoven speelt én dirigeert. Loepzuivere beelden van de maestro die met zijn rug naar de zaal over zijn Steinway heen de Berliner Staatskapelle door die twee fantastische stukken fronst en knikt. Ik word gek. Niet alleen kan ik niet ophouden met kijken, zodat het drie uur wordt, erna kan ik niet slapen – het slotdeel van de Emperor klatert door mijn hoofd, urenlang.

Woensdag

Grüss Ludwig! Rond twaalf uur’s middags ontwaak ik uit onrustige dromen alsof ik Beethoven zelf ben. Overenthousiast dwing ik mijn jongste broer, eerst per sms, daarna bellend, die Barenboims te bekijken, de arme jongen heeft wel door dat het menens is. Zelf zet ik het Sharptorentje in de huiskamer loeihard zodat ik Beethoven onder de douche kan horen – als me iets bijzonder onaangenaams te binnen schiet.

Woensdag twaalf u… COLLEGE!

Is het waar? Ja – ik ben het woensdagcollege van Herbert van Uffelen vergeten. Godverdegodver. Taxi, denk ik – maar het is al begonnen, ik ben er op z’n vroegst over een uur. „Kút”, roep ik, en glij hard uit in de badkuip. Ik hinkepoot naar mijn laptop en zoek kippig en nadruipend Van Uffelens mobiele nummer.

„Uffelen.”

„Is dit Herbert van Uffelen?”

„Ben jij dat, Peter? Ik herken je stem.”

„Ja… Herbert, Grüss Gott… Peter hier. Zijn jullie daar al?”

„Natuurlijk, wat dacht jij. Je zult vast al dichtbij zijn, Peter”

Donderdag

Naar de professor met een fles wijn.