De aardse en de hemelse El Greco

Driehonderd jaar na zijn dood werd de schilder Doménikos Theptokópoulos een voorbeeld voor Picasso en zijn tijdgenoten. Hoe kwam het dat El Greco dezelfde stijl ambieerde? Wat had hij bedoeld? Een tentoonstelling in Düsseldorf geeft antwoord.

De vrijheid! Dat gebrek aan conformisme! Wie over de tentoonstelling El Greco und die Moderne in Museum Kunstpalast in Düsseldorf loopt, kan zich gemakkelijk de verbazing voorstellen waarmee de kunstwereld El Greco honderd jaar geleden ‘herontdekte’. In die tijd maakten steeds meer jonge, ambitieuze schilders als Pablo Picasso, Egon Schiele en Max Beckmann kennis met El Greco’s werk – en ze wisten niet wat ze zagen.

Die lange, sprieterige, volstrekt onrealistische lichamen. Die monochrome gewaden bijna zonder uitzondering geschilderd in (primaire) kleuren, die van het doek knalden. Die scherpe contrasten tussen licht en donker, alsof iedere Jezus, iedere Maria en iedere apostel hoogstpersoonlijk door een goddelijke theaterspot werd uitgelicht. En dat, misschien nog belangrijker, allemaal geschilderd rond 1590, de tijd die iedereen associeerde met Italië en classicisme, met kunst die zocht naar schoonheid en streven naar perfectie. Driehonderd jaar na zijn dood werd de Griekse schilder Doménikos Theptokópoulos (1541-1614), die het grootste deel van zijn leven had gewerkt in Toledo in Spanje, een voorbeeld. Een held.

Dat is ook het mooiste aan deze grote tentoonstelling in Düsseldorf: dat je die verbazing, die verbijstering van honderd jaar geleden nog zo makkelijk kunt navoelen. Enkele tientallen El Greco-schilderijen gecombineerd met werken van de kunstenaars die aan het begin van de twintigste eeuw door hem werden geïnspireerd. Dat begint met Cézanne (hier beschouwd als El Greco’s eerste ‘navolger’) en Picasso tot een heel leger van Duitsers van begin twintigste eeuw, variërend van Beckmann, Ernst en Kokoschka tot obscuurder namen als Hermann Stenner en Ludwig Meidner. Vaak felgekleurde expressionistische doeken of composities die nadrukkelijk het midden houden tussen figuratie en abstractie: veel kantelende vlakken en schuivende panelen.

Maar hoe interessant en fascinerend die ook zijn, de ware dreun wordt uitgedeeld door El Greco zelf. Wie nu tegenover idiote meesterwerken staat als Mater Dolorosa, De opening van het vijfde zegel of Laocoön heeft het gevoel te kijken naar het werk van een twintigste-eeuwse tijdreiziger met een religietik die per ongeluk in de Renaissance is beland. Natuurlijk, je beseft dat deze schilderijen niet aan het begin van de twintigste eeuw hadden kunnen worden gemaakt; daarvoor zijn ze te religieus, te traditioneel en te zeer verwant aan Titiaan en Tintoretto. Maar toch is er steeds dat gevoel van vervreemding en vroeg twintigste-eeuwse moderniteit. Dat is ongetwijfeld ook de belangrijkste reden voor El Greco’s toenmalige populariteit: de vormvrijheid en de onafhankelijkheid van de schilder passen perfect bij de doelen die de begin twintigste-eeuwse avant-gardisten zichzelf stelden.

Uniek en overtuigend

Het kernwoord voor de verbinding tussen deze twee is, opvallend genoeg, ‘romantiek’. Die stroming, die opkwam aan het einde van de achttiende eeuw, brak als eerste nadrukkelijk met de verworvenheden van de Renaissance. Romantische kunstenaars zochten niet naar ‘objectieve’ perfectie zoals Rafael en Michelangelo hadden gedaan. Ze vonden het eigen wereldbeeld van de kunstenaar, zijn visie, authenticiteit en persoonlijke vrijheid het allerbelangrijkste. Een kunstwerk is goed als het uniek is, eigen en toch een voor anderen overtuigend wereldbeeld toont. Dat streefden ook alle avant-gardisten na die volgden op de Romantiek, zeker aan het begin van de twintigste eeuw – avant-gardekunst was spannend, revolutionair. En dus was het een geweldige verrassing voor schilders als Picasso en Egon Schiele dat er rond 1600 al een oude Griek was met schijnbaar dezelfde ambities. En die had ook nog eens antwoorden gevonden op allerlei inhoudelijke en compositorische vragen waarmee de jonge revolutionairen nog steeds worstelden.

El Greco inspireerde de jonge modernisten, maar hij moet hen ook onzeker hebben gemaakt.. Hoe was hij in vredesnaam tot deze stijl gekomen? Wat had hij er precies mee bedoeld?

Daar wordt de tentoonstelling spannend. Want in de schijnbare verwantschap tussen El Greco en de jonge modernisten wringt iets. Veel van de modernistische werken lijken onmiskenbaar op die van El Greco: de scherpe, contrasterende kleuren, de nadruk op verticale lijnen, de uitgerekte lichamen. Maar hoe langer je kijkt en vergelijkt, hoe meer je ook beseft dat de verwantschapniet erg inhoudelijk was. Niet dat de modernisten El Greco verkeerd begrepen, ze gebruikten simpelweg alleen de elementen uit zijn oeuvre die hen van pas kwamen: schijnbaar romantische onafhankelijkheid, non-conformisme, breuk met het realisme. Daardoor negeerden ze nogal eens dat El Greco’s afwijkende vormen voor een groot deel voortkwamen uit diepgevoelde religiositeit – was dat niet van de schilder zelf, dan toch op zijn minst van zijn opdrachtgevers. Dat maakt de dwingende parallel tussen El Greco en de modernisten een tikje pijnlijk: El Greco wilde vermoedelijk het christendom een nieuwe lading, een nieuwe beeldtaal geven; de modernisten wilden vooral van het christendom af. Zij geloofden niet in Christus, maar in de kunst. In zichzelf.

Dat verschil wordt eigenlijk het beste door El Greco zelf verbeeld. Zijn oeuvre valt namelijk in twee totaal verschillende delen uiteen: de religieuze en de niet-religieuze werken. Het is alsof El Greco de ene helft van zijn werken maakte met het oog op de aarde en het andere deel met het oog op de hemel. Het ‘aardse’ deel bestaat vooral uit portretten, waarin je, als je de geëxalteerde El Greco in je hoofd hebt, zijn hand nauwelijks herkent. Dat maakt ze overigens niet minder goed, sterker nog: een schilderij als het portret van de jurist Jéronimo de Cevallos is een meesterwerk, El Greco’s blik is er fris vlijmscherp. Het is alleen nauwelijks vernieuwend of schokkend; de ‘portret-El Greco’ is opvallend tijdloos en goed. Maar er is weinig te zien van de romantische barricadenklimmer die iedereen (nog steeds) graag in hem ziet.

Benige hoofden

Maar zijn religieuze werken hebben de kenmerken die hem beroemd maakten, of het nu gaat om een mysterieuze klassieker als De opening van het vijfde zegel of om ‘portretten’ van de apostelen Petrus en Johannes. Enorme, bijna karikaturaal uitgerekte lichamen, ongemakkelijke, benige hoofden, en iedereen op de doeken is gehuld in eenkleurige gewaden, alsof El Greco ze vooral gebruikte als abstracte kleurvlakken die hij met elkaar in balans moest brengen. Onaardse wezens zijn het, een soort menselijke zonnebloemen die wanhopig naar de hemel reiken, maar hun voeten op de grond moeten houden.

Dat dit werk zeer religieus is geïnspireerd leidt nauwelijks twijfel.

Hoewelzijn drijfveren moeilijk zijn te achterhalen, kan het bijna niet anders of El Greco’s opmerkelijke vormen komen voort uit de contrareformatie: het gevoel dat de Katholieke Kerk, tegenover het opkomende protestantisme en ‘verlichte’ katholieken, de kracht van de oude kerkelijke waarden wilde laten zien – en herstellen. Bovendien werd het die tijd als een uiting van belezenheid en verheffing gezien om de grenzen van het realisme op te rekken. El Greco wordt niet voor niets gerekend tot het maniërisme, de stroming die zich aan het midden van de zestiende eeuw begon af te zetten tegen hetgeïdealiseerde naturalisme van voorgangers als Rafael en Michelangelo. De maniëristen wilden de werkelijkheid in zekere zin nog ‘mooier’ maken dan de klassieken en dat daarbij af en toe wat realisme sneuvelde kon hun niet schelen. Voor El Greco was dat streven naar perfectie ongetwijfeld verbonden met het streven naar God.

En zo loop je op deze tentoonstelling naar een fascinerend misverstand te kijken – verwante beelden, andere inhoud. Of toch niet? Want er is wel degelijk iets wat El Greco en de jonge modernisten verbindt: streven, El Greco streefde naar de hemel, de modernisten streefden naar het paradijs op aarde. Daardoor wordt wel een ander, zeker zo opmerkelijk verschil duidelijk: de tentoonstelling benadrukt de modernistische stijl aan het begin van de twintigste eeuw zelf een soort geloof was geworden. ‘Modern’, ‘uniek’, afwijkend’ was niet schokkend of vernieuwend meer, het was een norm waarbij iedereen elkaar in vorm, stijl en kleur braaf navolgde. In hun streven uniek te zijn, kortom, gingen de jonge hemelbestormers soms pijnlijk veel op elkaar lijken. Zodat deze expositie je er uiteindelijk vooral van doordringt hoe wild, onnavolgbaar en uniek El Greco was. Vrijheid en het streven naar het allerhoogste – in die zin is El Greco’s ‘modernisme’ ook nu nog steeds moderner dan dat van alle modernen bij elkaar.

El Greco und die Modernen. Tot en met 12 augustus in Museum Kunstpalast (Kulturzentrum Ehrenhof) Ehrenhof 4-5, Düsseldorf. Ma. 13-18u, Di. t/m zo. 10-20u, do. 11-21u. Meer informatie: www.smkp.de